Meditatie


 Het wordt weer licht …! 

Door ds. David van Veen

En toen was het donker… echt donker. In onze wijk in Gouda was alle elektriciteit uitgevallen. Gelukkig hadden we al wat kaarsen aanstaan, want dat was plotseling de enige verlichting. Met de jongens liep ik de tuin in en opeens konden we goed de Melkweg zien die anders meer verborgen blijft door alle straatverlichting. “Kun je niet iemand bellen, papa?” Het was spannend, maar blijkbaar wel met een vreeswekkend randje.

Het deed mij denken aan wat mij in mijn eerste gemeente Landsmeer overkwam onder de rook van Amsterdam. Het was in die grote stad zelf dat ik met een goede vriend had afgesproken om bij te praten. Ook hij was dominee geworden in een dorp op de Veluwe. We praten in een cafeetje ergens in de vele steegjes die Amsterdam kent. We waren diep met elkaar in gesprek toen ook daar plotseling alle lichten uitvielen. Niet alleen in het café, maar ook daarbuiten, op straat, overal….. Misschien dat sommigen van u dat nog wel kennen van vroeger; hoe donker de nacht kan zijn. Maar waar vind je dat tegenwoordig nou nog… En zeker niet in een stad als Amsterdam. 

Maar donker was het. Het leek de middeleeuwen wel. Alleen enkele snel gehaalde kaarsen brachten wat licht. Ook aan de overkant zagen wij kaarsen voor de hoge ramen verschijnen. Na verloop van tijd kwamen er politieagenten met grote zaklantaarns het café in. Zij waren op pad gestuurd om in het donker overal polshoogte te gaan nemen. De mensen vroegen hen: ” Hoelang duurt het nog, deze duisternis? Hoelang moeten wij nog wachten? “ 

En het is precies die vraag die wij deze dagen van Advent bezingen in onze kerken naar de woorden van psalm 130. “Hoever is de nacht, wachter? Hoever?” De morgen komt, zegt de wachter, maar nog is het nacht.” Wij leven in de tijd dat de duisternis valt, soms sluipend en heimelijk, soms plotseling en onverwacht, maar donker wordt het en donker is het. 

En ook onze geest is vaak verduisterd. We tasten naar de waarheid, door zoveel bomen van meningen zien we het bos niet meer, worden we verblind door onze eigen wijsheden. En we willen wel het goede doen, maar de weg zien we niet. Nog is het nacht, maar de morgen komt, horen we dan een stem weer zeggen. Wist u dat dit het koudste moment van de nacht is? Vlak voordat de schemering doorbreekt, vlak voordat de zon de aarde met haar stralen warmt, kruipt de kou door berg en been. Hoelang nog?

In deze oude vraag licht een diep verlangen geborgen. Een diep verlangen dat soms wordt vergeten door de haast die raast door de harten van de mensen, door onze angstige bezorgdheid of door de dingen die gebeurd zijn in ons leven. En toch vormt dat verlangen, dat verlangen naar de morgen, naar het licht, de grondlaag van ons bestaan. Dat verlangen is het geheim van de mens dat soms onder het stof vergeten ligt te wachten op de onderste boekenplanken van het leven dat wij schrijven.

Toch duurt de nacht soms lang. U kent dat misschien wel, dat je wakker ligt, piekert en alles maar door je hoofd maalt. Soms ben je ook wel bang. Bang om wat je verloren hebt, bang voor wat er van je geworden is of wat er je te wachten staat. Het vertrouwen van onze samenleving dat plotseling maar een dun laagje ijs blijkt. 

‘s Nachts kun je zomaar verdwalen in je eigen gedachten zoals de mensen deden daar in die nacht die over Amsterdam viel. Tastend in het duister probeerden zij een weg te vinden. Het verlangen naar de morgen kan dan ook meer een uitroep worden, een kyrie eleison: “Hoever is de nacht, wachter? Hoever?” 

Daarom is het dat we in deze dagen van Advent een kaars ontsteken, omdat we ontdekken mogen hoeveel licht een kaars kan geven als de nachten lang en donker zijn. 

Dat we, net als toen in Amsterdam en onlangs in Gouda, aan de overkant van onze huizen ramen ontdekken mogen, waar ook de kaarsen van Advent branden. Kaarsen die gezichten verlichten van mensen als wij. Zo kunnen wij elkaar de weg wijzen in de nacht en elkaar woorden toefluisteren dat de morgen zal komen en het licht de aarde zal verwarmen. Dat het ook dit jaar weer kerst zal worden…

Steek daarom een kaars aan als de duisternis valt over onze stad en vraag de wachters: “Hoever is de nacht, wachter? Hoever?” En de wachter zal zeggen: “Het is nog nacht, maar de morgen komt!” En zo zingen wij het samen uit en wordt als een onuitsprekelijk geheim midden in de winternacht vanuit die verwachting het kind geboren. En Hij zal ons licht zijn in het duister, onze gids in de tijd want zijn naam is Immanuel, God-met-ons.

Geplaatst in Protestants KerkNieuws Gouda (14e jaargang, nr.16)