Preek van vorige week

Preek van ds. David van Veen over Jesaja 2: 1 - 5
De Veste Gouda, 30 november 2025

De tekst van de profeet Jesaja die we hoorden is één van de kernteksten uit de Bijbel mogen we wel zeggen, waarin een visioen van vrede in beeldende taal wordt beschreven. Sterker nog: de laatste woorden zijn ook daadwerkelijk echt een beeld geworden. U ziet het hier: 

Beeld tuin VN New York

Het beeld staat in de tuin van het gebouw van Verenigde Naties in New York. We zien een man die bezig is een zwaard tot een ploegschaar om te smeden. Een beeld van duurzame vrede, want je hebt immers tijd en rust nodig om grond te kunnen bewerken. Dan kun je niet steeds ook nog met een zwaard oorlog voeren. Oftewel: wanneer zwaarden omgesmeed kunnen worden tot ploegscharen dan is die duurzame vrede realiteit geworden. Een prachtige en krachtige beeldspraak. En zo in de tuin van de Verenigde Naties kun je je daar van alles bij voorstellen. Immers, deze organisatie is na WO II opgericht om oorlog te voorkomen en duurzame vrede na te streven. Hier was het dat in 1948 de universele verklaring van de rechten van de mens werden opgesteld. Hier staat onder andere in dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren zonder enig onderscheid van welke aard dan ook. En weer iets verderop staat dat niemand onderworpen mag worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. En dat eenieder gelijk recht heeft op een eerlijk proces. En zo zijn er veel meer mensenrechten daar beschreven en zijn zo samen de kurk waarop onze samenlevingen drijven en waarop we elkaar aan mogen spreken. Steeds meer echter staan die mensenrechten onder druk. Landen leggen ze naast zich neer of zeggen ‘die gelden nu even niet voor ons’. En ook het instituut van de VN zelf lijkt soms wel een machteloos orgaan te worden, omdat landen gebruik maken van hun VETO waardoor ‘t recht vaak niet zegeviert, maar juist wordt lam gelegd. En daarmee wordt feitelijk het gezag van de VN en de waarden waar zij voor staat, ondermijnd. De wereld verandert en lijkt soms wel de urgentie niet meer te voelen waarmee ooit deze VN-organisatie in het leven is geroepen. Niet vrede lijkt meer het doel van denken en handelen, maar juist oorlogen en conflicten zijn het uitgangspunt. En als het al om vrede gaat, dan lijkt de vraag of dit wel duurzaam is of feitelijk soms niet zelfs een overgave. Ondertussen staat nog steeds dit beeld in de tuin van VN, bijna als een profetisch teken aan de wand. En dat onze wereld is veranderd, blijkt ook wel uit de gever die dit beeld ooit cadeau deed aan de VN. Want wie heeft de VN dit beeld geschonken? Dat was notabene de Sovjet-Unie. En je kunt je toch werkelijk niet meer voorstellen dat Poetin vandaag zo’n beeld aan de VN zou schenken dat, gebaseerd op onze Bijbeltekst, oproept tot duurzame vrede. De wereld is inderdaad veranderd, maar nog steeds staat dit beeld als een profetisch teken in de tuin van VN. En we begrijpen denk ik wel waarom dit beeld met deze tekst van de profeet Jesaja als geen ander oproept tot die duurzame vrede: Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen

Waarom deze tekst zo passend is, ook voor in die tuin van de VN, is omdat het hier echt om een universele vrede gaat. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. Nu is het wel zo dat deze woorden van de profeet wel vooraf zijn gegaan door andere woorden waarin het gaat om Israël, om Jeruzalem en gaat het over de tempel op de berg Sion waar alle volken naar toe zullen trekken. De profeet brengt dus die universele vrede in verband met de verhouding die Israël heeft met de volken. En in de Bijbel is het volk Israël vaak het uitverkoren volk van God, en zoals ook deze tekst aangeeft, mogen de volken in dat spoor van Israël meedoen. Israël is het voorbeeld. In de theologie heet dat: pars pro toto, een deel voor het geheel. Het gaat om Israël, maar in Israël gaat het om het geheel, om de hele aarde. Maar als we dit zo zeggen in onze dagen dan voelt dat voor velen ook ongemakkelijk, leidt ‘t tot polarisatie en onbegrip. De vraag is namelijk wat we bedoelen als we Israël zeggen. Gaat het dan om het Bijbels Israël en is dat hetzelfde Israël als dat van vandaag of het Israël van de regering Netanyahu? Ook zult u wel gemerkt hebben hoe met dat woord ‘Israël’ al snel volk, staat, land, regering en het Bijbels Israël door elkaar lopen maar dat is, denk ik, niet allemaal hetzelfde. Ook in de kerk voelen we deze moeilijkheid wel aan en kwam het ongemak daarover bijvoorbeeld naar boven op Israël-zondag waarmee we, zoals de kerkorde stelt, onze ‘onlosmakelijke verbondenheid met het volk Israël’ vieren. Maar ook daar komt dan onmiddellijk de vraag mee: over welk Israël spreken we dan eigenlijk? Daarom heb ik u, in overleg met ds. Plante die deze zondag voorging, destijds een stukje tekst gestuurd bij wijze van aankondiging waarin dit meer helder werd gemaakt en uitgelegd. Het waren zorgvuldig gekozen woorden van collega ds. Altena die onder andere zei: “De huidige situatie in Israël-Palestina zorgt echter voor een groeiend ongemak, om het zacht uit te drukken, om Israëlzondag te houden. Daarom is het goed om te benadrukken dat Israëlzondag niets te maken heeft met de staat Israël, laat staan met de huidige politiek van Israël. Dat onderscheid is wezenlijk, maar niet altijd makkelijk te maken. Waarbij helaas meespeelt dat de naam “Israëlzondag” eigenlijk heel ongelukkig is, en de lading ook niet dekt. Het gaat erom dat de kerk haar bijzondere band en verwantschap met het Jodendom, waaruit het is voortgekomen, en het Jodendom als levende religie, viert.” Collega Ad van Nieuwpoort pleitte er daarom zelfs voor om de kerkorde op dit punt aan te passen en te spreken over een ‘onopgeefbare verbondenheid met de synagoge’. Tot slot wijs ik u in dit verband op een aantal brieven aan ons als collega’s en aan u als gemeenteleden van ds. Kees van Ekris die sinds deze zomer onze nieuwe landelijke scriba is van de PKN. De brieven zijn te vinden op internet (https://protestantsekerk.nl/verdieping/brief-van-de-scriba-moed/ en https://petrus.protestantsekerk.nl/artikel/brief-scriba-oorlog-israel-gaza/) Ook in deze brieven proef je hoe hij recht wil doen aan het veelzijdig spreken als het gaat om Israël en Gaza, om Joden en Palestijnen. Nadrukkelijk wijst hij ook op de christelijke Palestijnen en vraagt hij ons om te horen wat zij ons te zeggen hebben als onze broeders en zusters van dat christelijk geloof. Ook is het goed om hier iedere keer weer bij te zeggen hoe ontoelaatbaar en onaanvaard het is als dit in ons land leidt tot toenemend antisemitisme of groeiende islamofobie. Nu valt er natuurlijk meer over te zeggen, en zouden u en ik sommige dingen misschien net wel weer anders formuleren of accentueren dan bijvoorbeeld scriba Van Ekris, ds. Altena of Ad van Nieuwpoort doen, maar juist omdat op deze zondagen van Advent in de teksten van Jesaja nog wel eens het woord Israël valt, dacht ik, is het goed de gelegenheid aan te grijpen en deze gedachten met u te delen.  

Ik keer echter nu met u terug naar dat visioen van de profeet Jesaja zelf. En nogmaals, dat is een prachtig en krachtig beeld van duurzame vrede waar wij en alle volken met ons naar verlangen. Toch is het ook bij Jesaja een visioen. De werkelijkheid is namelijk wel even anders. En dat horen we als we verder zouden lezen. In de werkelijkheid die Jesaja beschrijft in de verzen hierna gaat namelijk helemaal niet dat woord van God uit van Jeruzalem. En wil het huis van Jacob ooit een lichtend voorbeeld voor de volken zijn, wil Israël de volkeren ooit die vrede leren, dan zal het eerst zelf van alles moeten leren en afleren, zegt de profeet Jesaja. Dus in de verzen na ons prachtige visioen van vrede, beschrijft Jesaja hoe hij de werkelijkheid waarin hij leeft ziet, waarin mannen hun knieën buigen voor de afgoden van oost en west. Waar zij met zilver en goud hun bestaan veilig proberen te stellen en met paarden en wagens hun angsten bezweren, zo houdt Jesaja de mannen voor. En vervolgens richt Jesaja ook het woord tot de vrouwen en noemt hen verwaand. Zie ze trippelen door Jeruzalem’s straten, het hoofd hoog in de nek, met lonkende ogen. Hoor hoe hun voetringen rinkelen, zegt de profeet (hertaling Nico Ter Linden, het verhaal gaat… ) Jesaja schetst dus een prachtig visioen in die eerste verzen, maar zegt daarna dat de werkelijkheid nog wel heel ver van dat visioen is verwijderd. Zowel Israël als in het spoor de volkeren, moeten nog heel veel leren en afleren, bepleit de profeet. Het sluit denk ik aan bij de woorden die ook in het visioen zelf staan, namelijk: God zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Als het gaat om dat onderricht, die weg en dat pad dan gaat hier, denk ik, om de Thora. Het verstaan van de Thora en het doen van de Thora. Of zoals ik het wel eens eerder heb gezegd: gaat het er vooral óók om dat je allereerst een beloofd land bent in plaats van dat je alleen een beloofd land hebt. Gaat het erom dat we allereerst de weg gaan die God ons allen wijst. En waar gaat het dan om in die Thora? Waar roepen de profeten ons toe op? Om het doen van recht en gerechtigheid, denk ik. En kunnen we ook niet zeggen dat dit precies ook de weg is die Jezus Messias ons als christenen wijst. Hij houdt het ons toch steeds weer opnieuw voor: Zoek allereerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. 

Of zoals we het bijvoorbeeld onze ambtsdragers toebidden bij hun bevestiging: Wij bidden u dat zij hoog opgeven van uw toekomst en nooit gering denken van uw kinderen op aarde; dat zij in hun hart bewaren wat hun in het verborgene wordt toevertrouwd, maar openlijk en hardop getuigen tegen elke macht die het leven kleineert en schendt. Wij bidden hen toe dat ze zó zullen zijn. Daartoe worden zij en wij geroepen en is er, voor mij, een lijn te ontwaren van de woorden van Jesaja toen naar de actualiteit van vandaag. Namelijk dat zowel Israël en in hun spoor ook de volken worden opgeroepen om Thora te doen zoals ook Jezus Messias ons als volgelingen oproept om allereerst zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid te zoeken. Of zoals ds. Altena zei in die aankondiging: Juist vanuit de kernwaarden van het Jodendom − waarin de geboden en aanwijzingen in de Thora tot recht en gerechtigheid, voor de kwetsbaren het allermeest, helder zijn, en waarin profeten voortdurend kritisch optreden als de machthebbers dat uit het oog verliezen – is het van belang dat de kerk solidair is met de slachtoffers van hedendaags onrecht en blijft oproepen tot een politiek van verzoening en vrede en recht. En zo komen we ook weer terug bij dat beeld dat staat in die tuin van de VN, want in lijn met die Thora en dat evangelie, in lijn met dat opkomen voor recht en rechtvaardigheid, zijn toch ook die universele rechten van de mens neergeschreven; bedoeld voor alle mensen en volken. En alleen als we in die lijn durven leven, dat fundament als onopgeefbaar koesteren waarop wij als samenlevingen willen staan, zal er duurzame vrede kunnen zijn. Alleen in die lijn en met dat fundament kan die dag komen waarop zwaarden ploegijzers worden en speren, snoeimessen. Zoals we ook dichter bij huis deze zomer mee hebben verklaard met vele andere Goudse organisaties en mensen in het manifest ‘Wij zijn Gouda’. Hier zeggen we o.a.: “We bouwen aan een stad waarin diversiteit geen tegenstelling is, maar een kracht. Waar we elkaar de ruimte geven om te groeien en te zijn wie we zijn. Waar mensenrechten, respect, vertrouwen en verbinding de basis vormen van ons samenleven.” (https://zogouds.nl/nieuws/wij-zijn-gouda-manifest-gouda-inclusief)

En natuurlijk, dat visioen van Jesaja lijkt soms maar al te vaak stuk te slaan op onze werkelijkheid. Dat was toen zo en zo is het vandaag de dag vaak niet anders. En daarom hebben we zulke sterke verhalen nodig die ons er steeds weer bij halen. Hebben we die woorden van Thora en evangelie steeds weer nodig om ons de weg te wijzen. Ze zijn als een visioen, als een licht op ons pad, als een fundament om op te leven.  Daar willen we ons steeds weer op richten én gericht door worden. En juist in deze dagen van Advent proberen we die toekomst te verwachten als een licht dat daagt in het Oosten. Proberen we net als Maria in verwachting te raken van deze Jezus Messias en zijn Koninkrijk. Hij die ons oproept dat Koninkrijk én die gerechtigheid steeds weer te zoeken. Hij die omging met zieken en gezonden, met Joden en niet-Joden, met gelovigen en andersgelovigen, met mannen, vrouwen en kinderen, met vromen en met zondaars, armen en rijken, met vrienden en vreemden, ja zelfs met vrienden en vijanden. Juist in deze dagen van Advent zijn wij in verwachting van Hem en zijn Koninkrijk en worden we opgeroepen om waakzaam te zijn, om onze bronnen steeds weer te vinden in Thora en Evangelie waarin de profetenstem klinkt die ons oproept tot het doen van gerechtigheid, omdat alleen zó duurzame vrede kan gaan dagen in het Oosten. Dat die woorden van de profeet waar mogen worden ook in ons midden. 
Voor Israëli’s en Palestijnen. 
Voor Russen en Oekraïners. 
Voor de mensen van Soedan en Myanmar. 
Voor hen die lijden onder antisemitisme. 
Voor hen die lijden onder islamofobie.  
Voor alle mensen van deze aarde: wie je ook bent en waar je ook vandaan komt. 
En juist daarom is zo goed dat dit beeld gewoon blijft staan daar in de tuin van de VN om de wereld die woorden van de profeet steeds weer in herinnering te brengen: Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. Of misschien wel in onze tijd: Zij zullen drones omsmeden tot postbezorgers en bommenwerpers tot bollenplanters. Zij zullen hun haatberichten omzetten tot bloemlezingen en korte lontjes tot waakvlammen van hoop. Heer, geef vrede, voor ons en voor heel onze wereld. 

Amen