Preek van ds. David van Veen over Exodus 24: 1 - 11 en Lucas 22: 13 - 27
De Veste Gouda, 8 maart 2026
Als kerkenraad beginnen we de vergadering met een Bijbeltekst waarbij we vanuit ons jaarthema op zoek gaan naar wat ons raakt. En zo lazen we ook de tekst uit Lucas over het laatste avondmaal. Een bekende tekst, zoals ook het ritueel van het avondmaal een vanzelfsprekendheid heeft gekregen. En juist daardoor is het misschien wel lastiger om je erdoor echt te laten raken. Toch, toen we erover doorspraken, bleek dat er juist hier ook veel samenkomt in deze maaltijd. De waarde van gemeenschap en dat iedereen welkom is, werd genoemd. Dat Jezus een voorbeeld is dat we mogen navolgen en werd het begrip ‘offer’ genoemd dat vroeger veelvuldig klonk, maar nu ook ongemakkelijk maakt. Tot slot kun je het avondmaal wel doordenken, maar ligt de diepte en het mysterie van het gebeuren juist ook in de ervaring van tastbare rituelen, omdat je dan gemeenschap voelt, brood en wijn proeft, er een hand is die je vrede wenst. Daarom wil ik met u vandaag stil staan bij dit verhaal en daarover met u nadenken. Zie het als een voorbereiding op wat we volgende week zo tastbaar mogen ontvangen. De ervaring van de kerkenraad dat in dit verhaal veel samenkomt, klopt en komt hier bij Lucas zelfs bewust tot een climax. Bij Lucas zijn maaltijden sowieso belangrijk en een leidraad in zijn evangelie. Jezus gaat met iedereen aan tafel en men zegt dan ook: hij eet met zondaars en tollenaars. De maaltijd is een grondpatroon van die gemeenschap van wie je ook bent en waar je ook vandaan komt. Zelfs Judas, die Jezus zal verraden, krijgt in het evangelie van Lucas brood en wijn uitgereikt. Waarmee de evangelist zegt: Jezus gaf zijn leven ook voor hem. Met dit laatste avondmaal horen we van de zevende maaltijd die Lucas in zijn evangelie beschrijft. Inderdaad: hier komen de lijnen samen en tot een climax. Wat hier ter tafel komt, is de kern. En zonder dat we het doorhebben, spreekt Jezus hier niet over zijn leerlingen, maar horen we het woord ‘apostelen’ klinken. Wat hier gebeurt wordt even boven de tijd uitgetild en gaat over waartoe ook de leerlingen straks als apostelen worden uitgezonden.
Die zevende maaltijd is de Pesachmaaltijd. Het is goed om daar altijd bij stil te staan. Het avondmaal is in die zin geen christelijke uitvinding, maar gaat voort op een interpretatie van Jezus die de sedermaaltijd vierde tijdens het Joodse Paasfeest. Dat staat natuurlijk ook gewoon in de tekst van Lucas als hij zegt dat Jezus het Pesachmaal met zijn leerlingen wilde vieren, maar zien we ook terug in onze tekst. Misschien heeft u het gehoord, maar voordat de woorden klinken die wij herkennen als de instellingswoorden rond brood en beker, deelt Jezus al een eerste beker rond nadat hij het dankgebed heeft uitgesproken. En dat klopt ook, want bij een Joods Pesachmaal gaan inderdaad meerdere bekers met wijn rond, zijn er de matses en bittere kruiden. Het is namelijk een feest dat gevierd wordt áán tafel waarbij allerlei ingrediënten als matses, wijn en bittere kruiden symbolisch verwijzen naar het verhaal van de Uittocht uit de slavernij uit Egypte, het verhaal van de Exodus. Dat is ook wat Jezus met zijn leerlingen, hier in Jeruzalem viert. Het is een feest dat gedenkt hoe het volk door lijden en duisternis heen bevrijd werd tot licht en nieuw leven. Niet langer slaven, maar bevrijde mensen die in een verbond leven mogen met hun Bevrijder. En zeggen de rabbijnen: Je moet dit feest vieren alsof je er zelf bij was, alsof het over jou gaat, alsof jij die mens bent die gevangen zat, maar nu bevrijd mag leven. En door het zo te vieren, wordt het verhaal present. Jezus heeft zich met dit verhaal vereenzelvigd. Lucas noemt het in zijn evangelie zelfs letterlijk. Bijvoorbeeld na de verheerlijking op de berg zegt hij over Jezus: “De exodus die hij in Jeruzalem zal volbrengen.” Oftewel ook de weg van Jezus is een Exodus, is een weg die door lijden en duisternis leidt naar licht en nieuw bevrijd leven.
En na die eerste beker die Jezus ronddeelt, komt het brood, de matse. En normaliter – bij zo’n Pesachmaal- klinken daarbij de woorden uit Deuteronomium: “Dit is het brood van de verdrukking.” Dit brood, deze matse, doet denken aan de tijd van de verdrukking in Egypte. En nu komt het, wat Jezus doet, is dat hij bij dit bestaande ritueel nu andere woorden gebruikt. Hij betrekt het brood op zichzelf als hij zegt: Dit is mijn lichaam. Daarmee zegt hij: ook ik zal zijn als dit brood van de verdrukking, ook dit brood zal worden gebroken. Hij zegt: dit brood ben ik zelf. En als je je lichaam geeft, is dat ook een uitdrukking voor het geven van je leven. Daarna komt de beker met wijn en zegt Jezus: “Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.” Bloed dat wordt uitgegoten, verwijst naar een gewelddadige dood, maar bloed binnen de Joodse interpretatie bevat ook de ziel van het leven zelf. Dat is ook de reden waarom Joden geen bloed eten. Jezus zegt dus: ik deel mijn leven met jullie. Maar nog dieper: ik geef zelfs mijn leven voor jullie. En ook hier klinken in de achtergrond oude teksten mee. Allereerst verwijst het naar het bloed van het paaslam dat de Israëlieten op de deurposten smeerden zodat de engel des doods aan hun deur voorbijging. Het lam heeft zijn leven gegeven opdat zij het leven zouden behouden. Dat raakt aan dat woord ‘offer’ dat wij ons vaak maar moeilijk nog kunnen denken. Daarnaast verwijst het ook naar het verbond dat God met het volk sloot bij de berg Sinaï. We hoorden in de eerste lezing hoe dat ging: waar Mozes in een ritueel dit verbond bekrachtigde door de ene helft van het bloed op het altaar te gieten en met de andere helft het volk te besprenkelen waarbij hij zei: Met dit bloed wordt het verbond bekrachtigd dat de Heer met u gesloten heeft. Dat is voor ons niet meer echt goed te denken. Bloed is in onze cultuur eerder iets lugubers en bloed dat vloeit doet denken aan gewelddadigheid, aan bloed aan je handen hebben. Maar tegen de achtergrond van deze oude verhalen van het lam en het bloed aan de deurposten en deze verbondssluiting bij de Sinaï, begrijpen we dat het bloed hier vooral verwijst naar ‘t leven en naar de ziel van dat leven. Gaat het om verbondsversluiting tussen God en mensen die samen gedacht moeten worden. Een nieuw verbond, zegt Jezus. Het verbond wordt weer als nieuw, wordt vernieuwd en strekt zich uit tot alle volken van wie je ook bent en waar je ook vandaan komt. Dat is anders kijken, verder kijken, ruimer. Toen misschien niet altijd vanzelfsprekend en vandaag zeker ook niet. En natuurlijk vraagt het van ons enige denkkracht. Maar dat is ook niet zo verwonderlijk als teksten van duizenden jaren oud en vanuit totaal andere culturen dan de onze meeklinken en hier door Jezus worden toegeëigend en geactualiseerd.
Jezus doet precies wat de opdracht was van de Pesachmaaltijd. Namelijk om dit zo te vieren en dit verhaal zo te lezen alsof je er zelf bij was, alsof dit over jou gaat. Jezus zegt eigenlijk: laat dit alsof maar weg. Dat oude verhaal gaat over mij. Toen is nu. Ooit is vandaag, is onder ons. En dat is vervolgens ook zijn opdracht aan ons: Doe dit om mij te gedenken. Eigen je mijn woorden, mijn leven, mijn verhaal toe. Breng het dicht bij je als brood in je mond, als wijn op je lippen. Toch is het bizarre dat waar Jezus over tijds- en landsgrenzen heen ons en zijn leerlingen wil verenigen in zijn geest als gemeenschap van wie je ook bent en waar je ook vandaan komt, juist die maaltijd een bron van verdeeldheid wordt. En dat begint hier al in het evangelie van Lucas als er zogezegd nog wordt nagetafeld. En zoals feestjes in menig familie harmonieus aan tafel beginnen, maar dan toch soms ontaarden als na brood en meestal te veel wijn de precaire kwesties ter tafel komen, gebeurt aan deze tafel hetzelfde. De evangelist Lucas laat de leerlingen bewust zo natafelen, zodat hij zo deze kwestie op dit cruciale moment kan bespreken. Het aangekondigde verraad leidt namelijk al snel tot vraag wie onder de leerlingen de grootste is. Het kan bijna niet onchristelijker zou je denken en dan ook nog op dit moment! Toch kan de evangelist juist door deze tafelpraat laten zien waar het Jezus ten diepste omgaat. Want net zoals zo vaak bij de andere maaltijdverhalen laat Jezus aan tafel een omkering van verhoudingen zien: eersten worden laatsten, zondaars en tollenaars worden aan het hoofd van de tafel gezet en ook hier blijkt dat het niet om grootheid gaat, maar om dienstvaardigheid. Eerst houdt Jezus hen voor hoe het niet moet zijn. Hij zegt: “Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken en wie macht heeft laat zich weldoener noemen.“ En zo gaat het nog steeds. Heersers denken te mogen bepalen wat er met andere volken en landen moet gebeuren. En ook al gunnen we de mensen van Iran hun vrijheid en leven we ook hier intens met hen mee; we zien ook dat de motivatie vooral lijkt te liggen bij wie het recht van de sterkste wil doen laten gelden. En de wereld staat erbij en kijkt ernaar en is ‘t nog steeds de vraag om wiens toekomst het nu uiteindelijk echt gaat? “Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken en wie macht heeft laat zich weldoener noemen.“ Ja, want hoe je beleid ook is, of je nu Herodes heet zoals destijds of een andere naam draagt, zoals in onze dagen: als je veel macht hebt, kun je je zomaar weldoener laten noemen, terwijl je het tegenovergestelde bent. En zelfs als dat niet gelijk lukt, is er altijd wel een voetbaldirecteur te vinden die je alsnog een vredesprijs geeft. Laat dit bij jullie niet zo zijn, zegt Jezus. De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. Dat is de weg die Jezus gaat én die Jezus wijst. Hij wil zijn leven delen met anderen, delen voor anderen, ja, hij wil zelfs zijn leven geven voor anderen.
Dat is wat Lucas hier vertelt terwijl ze natafelen en wat ook de evangelist Johannes laat zien als Jezus zijn leerlingen de voeten wast, want daarna vraagt Jezus: ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb? ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt. Het gaat dus om de houding waarin de meester de knecht wordt, waarin het draait om de zichzelf schenkende liefde, waarin het niet gaat om jezelf te verheffen en op je borst te kloppen, maar waarin het gaat om je zelf klein te durven maken om ook die ander te zien, die ander voor te laten gaan, om echt met die ander te delen en zo samen gemeenschap te zijn. En dan? Dan is het koninkrijk van God onder ons. Op dit cruciale moment wordt het de leerlingen en ons voor ogen gehouden wat de blikrichting is van Jezus en dat vaak zijn koninkrijk onze wereld omgekeerd is. En juist daarom lezen wij dit verhaal. Juist daarom vieren wij volgende week avondmaal. Om ons die bezieling diep in te drinken, om deze woorden te herkauwen. Juist omdat ‘t ook in onze dagen cruciaal is en ook aan ons de vraag gesteld wordt bij welk koninkrijk we willen horen? Worden we gedreven om over de wereld en haar mensen te willen heersen of omdat we de wereld en haar mensen willen dienen? En hoe sterk ook niet dat laatste wél kan zijn. ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar.‘
Amen