Preek van ds. David van Veen over Jona 3: 10 – 4: 11 en Mattheus 20: 1 - 16
De Veste Gouda, 20 september 2026
In onze samenleving is het zo geregeld dat je loon naar werken krijgt. Uurtje factuurtje is een gevleugelde uitspraak. Je krijgt betaald voor de tijd dat je werkt. En over hoe dat gebeurt, hebben wij in ons land afspraken gemaakt. Afspraken tussen werknemers en werkgevers, in samenspraak met vakbonden en overheden. Het zijn onze collectieve arbeidsovereenkomsten, oftewel onze cao’s. Het gaat over wederzijdse rechten en plichten. Dat hebben we in Nederland goed geregeld en zo scheppen we een rechtvaardige samenleving. Iedereen zou tevreden moeten zijn en zo niet: dan zijn er de vakbonden en is er het recht van staking en demonstratie. Zo lag onlangs het OV nog plat. En ik denk inderdaad dat het een groot goed is hoe het in onze samenleving is geregeld. Zeker als je dat afzet tegen hoe het in het verleden was en hoe het nog steeds in veel landen van onze wereld is. Toch zijn regels en afspraken niet automatisch hetzelfde als rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent in algemene zin dat iets in de wet is geregeld. Rechtvaardig ben je als je aan die regels, wetten en afspraken houdt. Toch is dat geen garantie, want wie bepaalt die wetten? En ja, wij leven in een democratie, maar ook de meerderheid van het volk kiest helaas lang niet altijd voor de meest rechtvaardige weg. Ik moet dan denken aan mensen die vallen tussen wal en schip. Want ook in een samenleving waarin we veel goed geregeld hebben, zijn er mensen voor wie regels en afspraken niet vanzelf betekenen dat zij ook werkelijk gelijke kansen krijgen. Het maakt bijvoorbeeld uit waar je geboren bent en welk cultureel kapitaal je van huis uit meekrijgt: de kennis, vaardigheden en contacten die je zomaar cadeau krijgt – of juist niet.
En als we het hebben over arbeiders zoals ook onze parabel verhaalt, dan is alles toch goed geregeld in Nederland zou je zeggen. Iedereen kan solliciteren op een vacature. Iedereen heeft gelijke kansen. Toch zijn er velen die zich net als die laatste werkers uit het verhaal voelen. Waarom staan jullie daar nou de hele dag zonder werk, wordt hen dan ook gevraagd. “Niemand wilde ons in dienst nemen,” antwoorden ze dan. Niemand wilde hen. Ze stonden er de hele dag, te wachten op iemand die hen zou zien en een kans zou geven. Wij zeggen: iedereen mag meedoen. Maar ondertussen kan het gebeuren dat iemand steeds opnieuw buiten de kring valt. Niet omdat hij of zij niet wil werken, maar omdat niemand hem of haar wil hebben. Zo was er in 2023 een groot onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, waarbij 20.000 fictieve sollicitatiebrieven werden verstuurd naar echte vacatures. Meer dan 50 verschillende etnische achtergronden werden onderzocht en de conclusie was dat discriminatie op de arbeidsmarkt niet is afgenomen, maar juist hardnekkig aanwezig blijft. Sollicitanten met onder meer een Marokkaanse, Pakistaanse, Ethiopische en Oegandese achtergrond moesten vaak meer dan twee keer zoveel sollicitaties versturen om evenveel uitnodigingen te krijgen als sollicitanten met een Nederlands klinkende naam. We hebben het goed geregeld, maar ondertussen staan er dus velen op de markt die maar wachten moeten blijven. Laten we gaan kijken naar wat er met de arbeiders gebeurt in onze parabel.
De evangelist schildert het verhaal in korte en krachtige lijnen. De Heer van hemel en aarde wordt hier voorgesteld als een landeigenaar die op zoek is naar arbeiders voor zijn wijngaard. Hij vindt arbeiders die wij tegenwoordig flexwerkers zouden noemen op de markt. De landeigenaar gaat met een groep arbeiders in gesprek en komt tot een overeenkomst. Een cao voor een dag, zeg maar. Als zij een dag bij hem werken dan zal hun loon 1 denarie zijn. Dit loon van 1 denarie was een gebruikelijk tarief voor die dagen. Een jaarloon kwam gemiddeld op zo’n 200 denarie terecht, maar was geen vetpot om een gezin mee te onderhouden. 1 denarie staat ongeveer gelijk aan 12 broodjes, 4 denarie aan 12 liter graan of een lammetje en voor 100 denarie kocht je een os. Deze eerste groep arbeiders is zeker van hun loon, want die 1 denarie is wat ze samen overeengekomen zijn. Er volgen echter nog meer groepen arbeiders die met steeds een tijdsverschil van zo’n drie uur zich ook kunnen melden bij de wijngaard. Bij de tweede groep klinkt nog dat de betaling rechtvaardig zal zijn, maar bij de volgende groepen horen we over de betaling niets meer. Deze arbeiders zijn afhankelijk van de goedheid van de heer. Dan is de dag voorbij en volgt de uitbetaling. Dat gaat in omgekeerde volgorde. Verhaaltechnisch is dat slim, want dat verhoogt natuurlijk de verwachting, niet alleen bij die eerste groep arbeiders maar ook bij ons. De groep arbeiders die maar even hebben gewerkt, vanaf vijf uur in de namiddag, krijgt 1 denarie uitbetaald. Hetzelfde loon zo blijkt als de heer ook bij de arbeiders van het eerste uur uitkomt. Echter nu komt dat gevoel van rechtvaardigheid wel een beetje in opstand. Misschien ook wel bij uzelf. Want dit is toch gewoon niet eerlijk? De groep die vanaf zonsopgang gewerkt heeft, krijgt evenveel als de groep die maar een paar uurtjes heeft hoeven werken. Natuurlijk hadden deze arbeiders gedacht: als die arbeiders die om vijf uur begonnen al 1 denarie krijgen, wat zullen wij dan wel niet krijgen aan loon! En ze doen dan ook hun beklag bij de heer. De heer zegt echter: Beste mensen, ik behandel jullie toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie?
Ja dat klopt, maar toch is wat de landheer doet, inderdaad opmerkelijk. Hij verbreekt weliswaar niet de afspraak die hij met de eerste arbeiders heeft gemaakt. Zij krijgen precies wat hun was toegezegd. Maar hij verbreekt wel de vanzelfsprekende verhouding tussen de hoeveelheid werk en de hoogte van het loon. En daar zit misschien wel het ongemak van dit verhaal. Het probleem van de eerste arbeiders zit uiteindelijk niet in het bedrag dat zij krijgen. Het probleem ontstaat wanneer blijkt dat anderen hetzelfde ontvangen. “U hebt hen aan ons gelijk gemaakt,” zeggen ze eigenlijk. En dat is misschien wel het meest onthullende in dit verhaal. Het gaat hun niet alleen om wat zij zelf krijgen. Het lijkt hen vooral te steken dat de ander hetzelfde krijgt. De vraag is dus niet alleen: krijgt iedereen wat hem toekomt? De vraag wordt ook: kunnen wij het verdragen wanneer een ander dezelfde goedheid ontvangt als wij? Die arbeiders lijken wel een beetje op Jona uit de eerste lezing, die zich ergert aan God en kwaad op hem wordt en notabene zegt: Ik wist het wel hoor, God, u bent een God die genadig is en liefdevol, trouw en tot vergeving bereid. Ja, mooi als dat voor hem geldt, maar toch niet voor die mensen van Nineve. Maar God zegt: Is het nu terecht dat je zo kwaad bent? Jona kan Gods goedheid voor Nineve maar moeilijk verdragen. En ook hier vraagt de Heer: Je hebt toch ingestemd met één denarie? Neem wat je toekomt en ga. Ik wil aan de laatste arbeiders nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou. Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Zet het kwaad bloed dat ik goed ben? En inderdaad heeft de landheer zich aan zijn afspraak gehouden. De eerste arbeiders krijgen wat hun is toegezegd. Maar tegelijkertijd doet hij iets wat verder gaat dan wat volgens onze gewone logica van loon en prestatie vanzelfsprekend is.
Wat er eigenlijk hier gebeurt, is dat er twee manieren van kijken naar rechtvaardigheid botsen. Dat onderscheid wordt door ons gemeentelid en filosoof Nico Koning ook wel beschreven als het onderscheid tussen het Griekse model van rechtvaardigheid en het Bijbelse – Joodse model van rechtvaardigheid. In de eerste vorm van rechtvaardigheid gaat het om recht en afspraak: om de vraag wat iemand toekomt en of hij krijgt waar hij recht op heeft. Dat is ook belangrijk. Zonder regels, afspraken en rechten kan er geen rechtvaardige samenleving bestaan. Maar in de Bijbelse gerechtigheid klinkt daarnaast een andere vraag mee. Niet alleen: wat komt iemand toe? Maar ook: wat heeft deze mens nodig? Wie staat erbuiten? Wie wordt niet gezien? Wie krijgt geen kans? Of in termen van ons bestel en besturen gesproken: Een democratie bewijst haar kracht niet zozeer doordat de meerderheid haar zin krijgt, maar juist doordat zij de rechten van de minderheid beschermt. Daar ligt haar ware kracht. Maar goed, bijbels gesproken gaat gerechtigheid dus steeds samen met barmhartigheid en verdiept zich juist zo. Gods gerechtigheid is niet alleen recht doen volgens de regel, maar is ook opkomen voor wie kwetsbaar, wie buiten de kring valt en wie afhankelijk is van de goedheid van een ander. En liefde en genade is daarmee dus wel wat anders dan een cao. Over Gods genade kun je niet onderhandelen. Die kun je alleen maar ontvangen. De landheer kijkt daarom niet alleen naar de gemaakte afspraak, maar ziet ook de mensen die daar de hele dag zonder werk hebben gestaan en het zo nodig hebben. En de tekst zegt niet dat deze mensen lui zijn of dat zij bewust zo laat zijn begonnen. Integendeel: op de vraag waarom ze daar nog staan, antwoorden ze: “Omdat niemand ons in dienst heeft genomen.”
Maar zij die niet gezien zijn, worden nu wel gezien. Dat is dus de barmhartigheid die de gerechtigheid van God verdiept: niet alleen geven wat iemand volgens de afspraak verdient, maar ook zien wat iemand nodig heeft om werkelijk mee te kunnen doen en te kunnen leven. Vanuit deze gerechtigheid worden we vandaag dus opgeroepen om eens met Bijbelse ogen naar ons leven, onze relaties en onze samenleving te kijken. Niet alleen maar bezig te zijn met regels en wetten waar je je zo makkelijk achter kunt verschuilen, maar ook te leren kijken met ogen waarin rechtvaardigheid en barmhartigheid samengaan. Naar de actualiteit van deze week kun je alleen maar hopen en bidden dat ook onze politiek, ons democratisch bestel, zo zal kijken. Maar ‘t geldt ook voor onszelf. Want als je met de ogen van deze Heer durft te kijken, vanuit deze barmhartige rechtvaardigheid, dan zie je hoeveel er anders zou kunnen uitpakken. Als we rechtvaardigheid niet alleen zoeken in de wet, maar ook leven vanuit het besef dat Gods liefde en genade er is voor ieder mens naast ons. Laten we hopen en bidden dat de stem van deze genadige en barmhartige gerechtigheid van Evangelie én Tenach zal klinken in heel onze wereld en voor álle mensen. Dat het die Joods-Christelijke traditie is die ons daarop wijst en het vraagt soms om een bekering om dat te zien, om dat te doen. Want wij, maar dus ook anderen, mogen ‘leven van zijn genade’.
En als er iets daarvan het teken is, is het wel de doop. In de doop wordt benadrukt dat we leven mogen van die genade. En Tobias zijn naam zou je zelfs kunnen vertalen met: ‘God is goed voor mij’. Daarom is het zo mooi dat Tobias en Boris vandaag in ons midden gedoopt worden, om ons ook weer aan die genade ter herinneren. Want in de doop hoeven Tobias en Boris nog niets te hebben bewezen. Ze hebben nog geen goede of slechte keuzes gemaakt, geen prestaties geleverd, geen diploma gehaald. En toch worden zij bij hun naam geroepen en opgenomen in Gods verbond. Ze hoeven hun plaats niet te verdienen. Die plaats wordt hun gegeven. Dat de doop van Tobias en Boris zo voor ons allen tot teken mag zijn dat we leven mogen van Gods genade en ons opgenomen mogen weten in zijn verbond. Dat we niet zozeer leven van wat we presteren, maar van wat ons wordt geschonken. Of we nu arbeiders zijn van het eerste uur of van het laatste uur. Of we gewend zijn vooraan te staan of vaak achteraan terechtkomen. Bij God hoef je je plaats niet te verdienen. Je mag haar ontvangen.
Toch geeft deze gelijkenis ons vandaag van daaruit nog wel een andere vraag mee als huiswerk: want ja, wij mogen leven van Gods genade, maar kunnen wij Gods genade daarom ook aan een ander gunnen? En nog iets scherper: willen we zelf die ander ook genadig zijn?
Amen