Preek van vorige Week

Preek van zondag 6 september 2020

Lezing: Mattheus 18: 21-35   

Hoe moet je omgaan met broeders en zusters in de gemeente die tegen je gezondigd hebben? Die vraag werd in het voorafgaande gedeelte gesteld en hebben wij vorige week bekeken. En aanvankelijk leek Jezus daar een stappenplan te geven van hoe je diegene kon excommuniceren.

De climax was: Als diegenen uiteindelijk ook niet naar de hele gemeente willen luisteren, behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandeld. Aanvankelijk een forse uitspraak van Jezus die weinig van doen lijkt te hebben met barmhartigheid en vergevenisgezindheid. Totdat we even iets langer nadachten en ons de vraag stelde: Maar hoe ging Jezus zélf dan om met tollenaars en heidenen? En inderdaad juist met hen ging Jezus om, bleef met hen omgaan en had daarin een barmhartige houding.

Die interpretatie blijkt ook Petrus te verstaan en vraagt in navolging op die uitspraak vandaag: Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe? Petrus verstond wat Jezus zei, maar stelt ook de vraag van hoe ver je daarin moet gaan?

Een vraag die deze week op een bepaalde manier tot diep in de nacht in de Tweede Kamer ook aan de orde kwam toen de positie van Grappenhaus werd bevraagd. Hij ging diep door het stof, zei mea culpa en mocht blijven zitten. Maar ook daar bleef de vraag: was dat nu wijs, geloofwaardig, hoe ver moet je gaan?

Enfin, een gebeurtenis uit deze week die aan ons onderwerp raakt, maar als we de vraag van Petrus vol in het licht zetten dan snappen ook heel goed dat het soms echt de vraag is of je altijd alles kunt vergeven? En zeker of je altijd alles maar kunt blijven vergeven. Keer op keer.

Hoe klinkt zo’n tekst bij de nabestaanden van mensen die omkwamen met een terroristische aanslag? Bij een moeder met haar misbruikte kind? Bij de man met zijn vermoorde vrouw? Nee, onmiddellijk is duidelijk dat we de vraag van Petrus maar al te goed begrijpen en voelen we de moeite in Jezus antwoord: zeven maal zeventig….
En als we dan ook nog weten dat het getal zeventig in de bijbel staat voor ‘onbegrensdheid’ weten we helemaal niet wat we hier mee moeten. Alle reden om ook vanmorgen weer voorzichtig ons oor te luister te leggen….

Petrus lijkt dus te verstaan dat het Jezus om vergeving gaat, maar vraagt wel: hoe vaak je dat dan moet doen. Enerzijds dus een realistische vraag, anderszijds als je al bij houdt hoevaak je iemand nog moet vergeven, ben je dan wel echt op die vergeving gericht of ligt er meer zoiets onder als ‘ hoe vaak moet ik mijn wraak nog uitstellen? “

Het antwoord van Jezus zou je wel plagend kunnen noemen. Zeven maal zeventig. Wat hij natuurlijk bedoeld is: vergeet nu maar dat tellen en doe het gewoon. Zo wijst wij allereerst in dit antwoord op wat onze basishouding mag zijn, onze houding als christen ten opzichte van onze broeders of zusters. En is die houding ontleend aan hoe het in de wereld er aan toe gaat of is die houding ontleend aan hoe God met ons omgaat?

Je ziet dat terug in het eigenlijke antwoord dat Jezus geeft met de gelijkenis van de koning en de onrechtvaardige dienaar. Als we alleen het tweede gedeelte van de gelijkenis hadden gekend hadden we de dienaar helemaal geen onrechtvaardige dienaar genoemd. Nee, hem werd onrecht aangedaan. Hij had immers recht op het geld dat hem nog schuldig was. Ook in onze maatschappij werkt het zo dat je je rekeningen moet betalen. De vereffing van schulden is zelfs een basisgegeven in onze rechtstaat.

Als we echter het begin van de gelijkenis laten meetellen, komen ’s mans principes in een heel ander daglicht te staan. Dan blijkt hij met twee maten te meten. In het koninklijk paleis heeft hij zojuist nog met de pet in de hand voor het bureau van de koning staan smeken. En voor de koning heeft tenslotte ‘barmhartigheid’ het zwaarste gewogen, maar even later buiten, in het dagelijkse leven teruggekeerd, ontmoet de knecht een andere knecht die hem schuldig was. Daar echter laat hij zijn recht het zwaarste wegen. 

Opvallend is de ‘gelijktijdigheid’ van deze scènes en daar ligt ook de point. De ontmoetingen lopen hetzelfde, gaat het om dezelfde houding van degenen van wie in het krijt staan, het smeken om geduld en lankmoedigheid. De knecht buiten is een regelrechte kopie van de knecht binnen. Alleen de eerste knecht ziet dat niet. In deze gelijkenis lijkt het bijna onmogelijk, maar de eerste knecht ziet niet dat die ander zijn spiegel is, herkent zichzelf niet in die ander. Het lijkt wel of hij in twee totaal verschillende werelden leeft.

Jezus stelt aan de kaak, lijkt het wel, hoeveel meer wij geneigd zijn om te nemen dan om te geven. Maar net als in het Onze Vader wordt dit door Jezus gelijktijdig gemaakt, het is nemen én geven: vergeef ons onze schuld, zoals ook wij vergeven hebben wie ons iets schuldig zijn. Daar worden onze twee werelden één gemaakt.
De grondtoon is Gods barmhartigheid waarvan wij zelf afhankelijk zijn en Jezus roept ons op om vanuit die houding te leven en onze broeders of zusters die tegen ons gezondigd hebben te vergeven. Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen vergeven. Zeven maal zeventig, want vergeving en barmhartigheid is tenslotte het allerlaatste en uiteindelijke woord.

In de context van deze gemeentereden van Jezus verstaan we ergens wel wat Jezus zeggen wil. Voelen we wel aan dat we in het koninkrijk van God mogen proberen te lijken op God die barmhartig is, op Jezus die de heidenen en tollenaars bleef zoeken, ruim van hart.

Toch kan ik me voorstellen dat het woord ‘vergeven’ bij sommigen nog veel te makkelijk valt. Natuurlijk, we weten wel dat onze menselijke basishouding niet zo vergevingsgezind is, maar dan nog, al zouden we wel willen vergeven, dat gaat toch ook niet zomaar en hoe vaak is het , juist in ons christelijk milieu niet gebeurd dat de verschrikkelijkste dingen werden verzwegen onder het kleed van vergeven. Niet een keer, maar soms wel meer dan zeventig.

Vergeven DAT: OK, maar vergeven HOE is nog een tweede. Misschien goed om eerst eens te zeggen wat vergeven niet is. Vergeven is niet vergeten. Vergeven is niet goedpraten. Vergeven is niet de goede vrede bewaren.
Wat vergeven wel is? Vergeven is bevrijden. Vergeven is vrij worden. Vergeven is loslaten. Vergeven is een weg die jíj gaat. Een weg, want vergeven is geen kunstje maar een proces. Een proces van verwerking.

Zolang je namelijk niet kunt vergeven, ben je gebonden aan die ander. Gebonden aan die ander en aan wat die ander jou heeft aangedaan. Je hebt en kunt het niet achter je laten en daarom is het er ook vandaag nog. Boosheid kan dan overgaan in haat, in wrok. Het kan je van binnen opeten.

Als je zo kijkt, begrijpen we wel waarom vergeven dus eigenlijk bevrijden is, vrij worden van is, waarom vergeven loslaten is. Tegelijkertijd begrijpen we dan ook waarom nabestaanden die zoveel kwaad is aangedaan, hoe dat wat er gebeurd is, je tot op de dag van vandaag bepaald. Soms kom je nooit meer los van wat er is gebeurd en is het als een zwart gat dat je bestaan opzuigt.

Dit alles geeft wel aan dat vergeven belangrijk is, maar of het gemakkelijk is? En dan ook nog eens zevenmaal zeventig? En als je dan al de weg van het vergeven op kunt lopen, op wilt lopen, op durft te lopen dan begint die weg van het vergeven met dat je helder hebt wat je is aangedaan. Dat je kunt benoemen wat er is gebeurd. Voor vergeven is het belangrijk dat je weet wat er vergeven moet worden.

En nog belangrijker, voor verzoening, voor als die ander mee wil doen, is het belangrijk dat ook de ander benoemt waarvoor hij vergeven moet worden. Vergeven en verzoenen gaat nooit zonder dat helder en duidelijk is ‘dat wat er is gebeurd’, maar daarbij en dat is stap twee: wat het met jou heeft gedaan? Welke gevoelens het in je los heeft gemaakt?

Dan is ook die boosheid weldegelijk belangrijk. Maar ook boosheid is vaak een taboe in het geloof. Boosheid is nooit goed, zegt men dan. Als snel komt de ‘lieve vrede’ om de hoek kijken en wordt alles onder het matje geveegd van de mantel der liefde. 

Boosheid kan soms echter heel goed zijn. Boosheid kan een motor zijn om je druk te maken over het onrecht in de wereld. Boosheid kan de motor zijn om je innerlijk te kunnen distantiëren van die ander en wat hij jou heeft aangedaan. Boosheid is de motor om een begin te maken met die weg van vergeving, van bevrijding en het los te laten.

Als je die ander en dat wat er gebeurd is wat meer op afstand kunt plaatsen, kun je er naar kijken en op dat moment is het niet meer hier ( wijs naar hart) waar het aan je vreet, maar is het daar. Dan kan het punt komen dat je ander en wat er gebeurde daar laat, niet meer leeft in het verleden, maar nieuw de toekomst in durft te kijken. Laat los en u zult losgelaten worden, zegt Jezus. Als jij zo ver komt dat je het los kunt laten, zal het jou ook loslaten.

En nogmaals: zonder dat dit betekent dat het daarmee nooit gebeurd zou zijn, dat het goed gepraat is of vergeten. Nee, dat blijft allemaal gewoon staan, het heeft alleen een andere plek gekregen en het blijft een weg die soms lang is te gaan.

Iemand die weet hoe moeilijk vergeven is en hoe lang de weg van verzoening zijn kan, is aartsbisschop Tutu van Zuid-Afrika. Hij was voorzitter van de commissie voor Waarheid en Verzoening. In ruil voor volledige openheid mocht iedereen die oorlogsmisdaden op zijn geweten had amnestie aanvragen. In ruil voor volledige openheid, want je kunt alleen vergeven als duidelijk is en in alle openheid wát er vergeven dient te worden. Tutu luisterde naar 21.000 verhalen. Hij vertelt:

“De commissie ontstond toen mensen zeiden: misschien moeten we de wonden openmaken en schoonmaken zodat ze niet gaan etteren. Er balsem opgieten. En dan misschien, heel misschien, zullen ze genezen. Vergeven gaat niet vanzelf. En verzoening is niet gemakkelijk. Maar door te vergeven open je wel een deur voor iemand. 

Dan vertelt Tutu van een hoorzitting waarin een officier bekende: Ja, wij gaven als officieren opdracht om het vuur te openen. - De temperatuur in de zaal steeg.- Vervolgens richtte de officier zich tot het publiek en zei: Vergeef ons alstublieft. Vergeef alstublieft mijn drie collega’s hier en neem ons weer op in de gemeenschap.

Weet u wat het publiek deed? zei Tutu. Het applaudisseerde. Ongelooflijk, het applaudisseerde. En toen het applaus was verstomd zei Tutu: ‘Alstublieft, laten we stil zijn. Omdat we in de aanwezigheid van iets heiligs verkeren. De gepaste reactie op wat er voor onze ogen gebeurd, is onze schoenen uittrekken, want we staan hier op heilige grond. “

Amen