Preek van vorige Week

Preek van ds. David van Veen over Jesaja 5: 1 – 7 en Lucas 20: 9 – 19
De Veste Gouda, 7 april 2019

Lieve mensen,
 
Sommigen mensen zijn er bijna aan verslaafd. Series als NCSI. Series waarin speciale agenten een moord onderzoeken of een terroristische aanslag proberen te voorkomen. Vaak verschrikkelijk spannend. Een van die dingen die deze special agents altijd gelijk doen als ze ergens naar moeten, is hun badge laten zien, waarop hun legitimatie staat. Pas dan worden ze binnengelaten. Pas dan mogen ze hun werk doen. En ach, ook in onze ‘normale’ samenleving stikt het inmiddels van de diploma’s, certificaten, identiteitskaarten. En je kunt er elke willekeurige politieagent naar vragen en bij menig sollicatiegesprek is men in eerste instantie vooral toch geïnteresseerd in het diploma. Kortom: Heb jij wel een papiertje of een badge dat aangeeft dat je bevoegd bent om te doen wat je doet? Dat is ook precies wat er gebeurt als die de vertegenwoordigers van de joodse geestelijkheid Jezus vragen stellen in het gedeelte dat direct aan de parabel van de wijngaard vooraf gaat. Op grond van welke bevoegdheid doet u de dingen, Jezus? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven? Of te wel: Heb jij wel een diploma, Jezus voor de dingen die je zegt en doet? En welke instantie staat achter jou en heeft jou die bevoegdheid gegeven? Enerzijds weer typisch een mensen-mensen-vraag, voordat we ons afvragen wat deze Jezus zegt, willen we eerst weten of hij het wel zeggen mag.

Anderzijds is het ook niet verwonderlijk. Een paar dagen hiervoor had Jezus namelijk de handelaars uit de tempel verjaagd. En dat ging er bepaald niet zachtzinnig aan toe. Je kunt je voorstellen dat mensen dan vragen gaan stellen: Hé, wie denk je wel niet dat je bent? Op grond van welke bevoegdheid doet u de dingen? Je kan je dat voorstellen. Ik denk dat als we een vergelijkbare actie voor ons zien in het Vaticaan in Rome dat je ogenblikkelijk van alle kanten besprongen zou worden door Zwitserse garde. En die heb je dan heel wat uit te leggen. Ik vrees dat ze geen genoegen nemen met de uitspraak: ‘Mijn huis moet een huis van gebed zijn’. En daarmee raken wij we aan de vraag Jezus van Nazareth, wie is Hij toch? En hier dus: op grond waarvan doet u de dingen? En inderdaad, waarom zou je door deze Jezus iets laten gezeggen? Waarom zou je zijn woorden volgen? Voor de Joodse geestelijkheid is elk antwoord in ieder geval onjuist, want ze staan als special agents klaar om Jezus in de kraag te vatten. Door hem deze vraag te stellen, hopen ze in zijn antwoord voldoende aanleiding te vinden om hem op te pakken. Jezus ontwijkt echter het antwoord en vertelt vervolgens de menigte, zo staat er, de parabel van de wijngaard. De menigte, maar natuurlijk stond de Joodse geestelijkheid nog steeds onder zijn gehoor. Zou misschien deze parabel een antwoord zijn op de vraag wie hij is en wie hem bevoegd heeft?
 
De parabel speelt zich af in een wijngaard. Over een wijngaard hoorden we ook al de profeet Jesaja. Hij zegt: Mijn geliefde had een wijngaard waarvan hij veel verwachtte, maar toen de wijngaard slechte vruchten voortbracht, brak hij haar af, verbrandde en vertrapte hij haar. Jesaja zegt: die wijngaard dat is Israël en God is haar heer. God verwachtte recht, maar oogstte onrecht. God zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting. De wijngaard, Israël, heeft het dus verknald. U moet zich voorstellen dat de menigte aan wie Jezus deze parabel vertelde dit beeld van Jesaja over die wijngaard maar altijd te goed kende. Het deed hen er gelijk aan denken. Met die achtergrond nu ook in ons achterhoofd kijken wij naar de parabel van Jezus. Weer gaat het hier om een wijngaard die verpacht werd aan wijnbouwers, maar toen de heer om een deel van de oogst vroeg door een knecht, ranselden ze die knecht af en stuurden hem met lege handen weg. Bij de twee knechten die de heer daarna stuurt wordt het alleen maar erger. Als hij uiteindelijk zijn geliefde zoon stuurt, vermoorden ze hem in de hoop dat de erfenis dan voor hen zou zijn. Zijn geliefde zoon. In het verhaal een logische titel, een eigenaar van de wijngaard heeft blijkbaar een zoon waarvan hij veel houdt. Maar hier is meer aan de hand. Dit zou weleens het antwoord kunnen zijn op de vraag: wie ben jij Jezus? Met welke bevoegdheid doe jij de dingen?

Hij is mijn geliefde zoon. Die woorden hebben we eerder gehoord. Het was bij de doop van Jezus toen de hemel zich opende en een stem klonk: Jij bent mijn geliefde zoon. In dat gedeelte is het niet duidelijk of Jezus het alleen hoort of alle mensen. In dit verhaal klinkt het in ieder geval helder. Hij is de geliefde zoon van de Heer, gestuurd om te vragen naar de opbrengst, de vruchten van de wijngaard. Over dit zoonschap van Jezus kan ik nog veel opmerken, maar het is goed om te beseffen dat ook hier geen dogmatisch antwoord klinkt. Jezus, zegt niet: Ik ben de zoon van God en samen met de heilige Geest vormen we de Drie-eenheid. Geen dogmatiek waarin gevat wordt wie hij is als zoon van God, als zoon van mensen. Nee, Jezus vertelt een verhaal waarin je op het spoor kan komen van wie Hij is, wat hij komt doen en van een Heer die de mensen een wijngaard geeft. De wijnbouwers zien hem echter al aankomen. Ook zij zeggen: wie denkt die wel niet dat ie is? En als hij de zoon van de eigenaar is, laten we hem dan maar vermoorden, want dan is de wijngaard van ons. Zo geschiedde. Wat zou de heer van de wijngaard doen, vraagt Jezus dan? Hij komt zelf, doodt de wijnbouwers en geeft de wijngaard aan anderen. Overeenkomst tussen Jesaja en Jezus is natuurlijk dat het ook hier verkeerd gaat in de wijngaard. Ook hier krijgt de Heer geen goede vruchten in handen. En ook hier straft de Heer. Verschil is echter dat hij NIET de wijngaard straft, maar de wijnbouwers. Hij straft niet de wijngaard maar geeft haar weg aan anderen. De christelijke uitlegtraditie heeft deze parabel gretig aangegrepen om de Joden hun plaats te wijzen en ze zelfs te vervolgen. Immers, de wijngaard is hen afgenomen en aan anderen gegeven en die anderen, zeiden de Christenen, dat kunnen alleen maar wij zijn. Die wijngaard is niet meer het volk Israël, maar dat is de Kerk geworden. Deze uitlegtraditie lijkt misschien voor de hand liggend maar klopt niet. Allereerst al niet binnen de schrift zelf. Ik zei al, bij Jesaja is de wijngaard het beeld voor Israël zelf, maar bij Jezus is het niet de wijngaard die wordt gestraft, maar zijn het de wijnbouwers die haar beheerden. Zij zijn het die worden gestraft. Het gaat hier dus mijns inziens niet om het hele volk Israël (lees de wijngaard), maar het gaat om hen die aangesteld zijn om de wijngaard te beheren. Lees: de geestelijkheid die Israël voor moest gaan. Het gaat dus om de geestelijkheid, een bepaalde groep Joden die Jezus hier aan de kaak stelt en niet om het joodse volk als zodanig. En voor de Joodse geestelijkheid die nog steeds onder het gehoor van Jezus stond, is die boodschap hard aangekomen en ze wilden hem nog meer grijpen dan voorheen. Jezus is voor hen niet de Hoeksteen, maar de steen waarover zij zullen struikelen.

Toch nog even terug naar het beeld van de wijngaard dat sommige uitleggers dus gingen lezen als beeld van de kerk. Als deze uitleg toch gevolgd zou worden dat wij het nieuwe Israël zijn en de kerk draagster van het nieuwe verbond: stelt deze parabel ons juist dan ook geen kritische vragen? Want ook de kerk als wijngaard is ons dan immers ter beschikking gesteld. De kerk, ook deze kerk, is niet van ons, maar van Christus. En zijn wij ons dat wel altijd zo bewust? Want wat betekent het voor deze kerk dat Hij Heer is? Wat betekent het als hij komt vragen om de vruchten van deze wijngaard waarin wij werken? Hoe gaan wij om met mensen van buiten, van de stad daarbuiten, mensen met misschien maar een dun lijntje met God of zijn ook wij vaak misschien alleen maar bezig om ons erfdeel veilig te stellen? Kijken wij alleen maar naar binnen deze muren of willen we de vruchten delen, de wijn laten vloeien zodat iedereen kan drinken en proeven van Gods beloften? Nee, deze parabel maakt ons wel duidelijk dat ook wij niet zomaar als christenen de wijngaard in de schoot krijgen geworpen en als het al zo zou zijn dan worden ook wij bevraagd worden door de Heer, want ook wij zijn geroepen tot bloei. Toch is zo’n wijngaard wel een prachtig beeld om in te denken en in te geloven. Zo’n wijngaard is toch een klein paradijsje in de woestijn die onze wereld vaak is. Een oase waar je kunt schuilen in de schaduw van de koelte van de bladeren, waar je proeven kunt van de vruchten, het brood en de wijn die er van hand tot hand gaan. Een plaats waar levend water uit wil stromen als een fontein van vreugde naar het omliggende land. Zo kerk kunnen zijn als Gods wijngaard in de wereld? Dat zou toch prachtig zijn….
 
Amen