Preek van deze Week

Preek van ds. David van Veen over Amos 6: 1 - 7 en Lucas 16: 19 - 31
De Veste Gouda, 14 juli 2019

Gemeente van Christus,

Op een dag kwam een rijk, maar gierig man bij een rabbi. Hij vroeg: Rabbi, waarom heb ik zo weinig echte vrienden?  De rabbi nam hem bij de hand en leidde hem naar het raam. “Kijk naar buiten” zei hij, “wat ziet u?” De rijke man keek naar buiten en antwoordde: “Ik zie mensen”. De rabbi nam hem weer bij de hand en leidde hem naar de spiegel en vroeg: “wat ziet u nu?“ “Nu zie ik mijzelf” antwoordde de rijke man. Daarop zei de rabbi: “Onthoud dit goed. In het raam zit glas en in de spiegel zit glas. Maar het glas van de spiegel is bedekt met een laagje zilver. Daarom zie je in de spiegel alleen maar jezelf en geen andere mensen. Hoe meer je hebt, hoe rijker je wordt, des te meer zullen al je ramen spiegels worden. In alle religieuze tradities komen we de waarschuwing tegen rijkdom tegen. Want hoe meer je bezig bent met wat je hebt en wilt hebben, des te meer raak je bezeten van het bezitten. Gevangen in je rijkdom. Het is niet zo dat rijkdom automatisch wordt veroordeeld, dat niet, maar je wordt ervoor gewaarschuwd, want je gaat er gemakkelijk anders door kijken. Vensters worden ongemerkt spiegels. Je ziet niet meer echt de ander, je ziet alleen nog maar jezelf. Ook de rijke in het verhaal vandaag ziet alleen nog zichzelf in het zilver van zijn spiegels.  Steeds moeilijker is het raam in zijn huis te vinden waardoor hij bij de poort de arme Lazarus zou kunnen zien liggen. En juist naar de poort zou een goede Jood moeten uitzien, want in de Talmoed staat geschreven: “Waar bevindt zich de Messias?“ en het antwoord luidde: “Voor de poorten temidden van de melaatsen”.
 
Jezus begint deze parabel met de woorden “er was eens…” en zet daarna de twee figuren scherp aan. Probeert u het zich eens voor te stellen. De rijke man gaat gekleed in purperen gewaden en fijn linnen en viert dagelijks uitbundig feest, een echte feestganger dus.  Lazarus is een bedelaar die op hetzelfde moment voor de poort van zijn huis ligt, overdekt met zweren en honger in zijn maag. Hij hoopt dat er iets overblijft van de tafel van de rijke man, maar er komen alleen maar honden aan lopen die zijn wonden likken. En honden werden ook nog eens als onrein beschouwd. Lazarus is de Griekse vertaling van het woord Eleazar dat betekent ‘God helpt’. Dus het enige wat deze arme Lazarus nog heeft is zijn naam en de belofte die zijn naam inhoudt. Maar veel lijkt er niet te gebeuren. Zou hij ooit bevrijd worden van zijn ketenen? En het verhaal laat ook veel vragen en antwoorden weg. Er staan geen nuances in de tekst. Hoe komt het dat Lazarus zo arm is? Heeft hij misschien familie die hem iedere dag voor de poort legt? Er wordt niet verteld of de rijke misschien zijn tienden betaald of aalmoezen geeft. En er wordt noch van de een, noch van de ander verteld hoe zijn relatie met God is? Allemaal interessante en misschien zelfs belangrijke vragen, maar blijkbaar niet belangrijk genoeg voor de kern van dit verhaal.
 
Door de dood van beiden komt het verhaal plotseling in vers 22 in beweging en beginnen de verhoudingen te verschuiven. Lazarus vertrekt naar de hemel en de rijke man komt op een plek terecht waar het aanzienlijk warmer is. Het eerdere perspectief draait zich nu om. Zoals Lazarus iedere dag de rijke man in de verte heeft gezien, ziet nu de rijke man Lazarus vanuit de verte aanliggen aan de borst van vader Abraham. In het aardse leven werden zij slechts gescheiden door een poort, maar hier is sprake van een onoverbrugbare kloof. En dat is natuurlijk onmiddellijk een van boodschappen van deze parabel. Wil je een kloof overbruggen zoals tussen Lazarus en de rijke man dan moet je die kloof nu overbruggen, door in dit aardse leven je poort te openen. Maar die boodschap is zelfs op dit moment nog niet tot de rijke man doorgedrongen.  We horen van hem geen woorden van echt berouw of inzicht. Geen woord dat de kloof die ontstaan is, misschien wel mede ontstaan is, door zijn eigen handelen of liever gezegd niet-handelen. Nee, de rijke man kijkt nog steeds in spiegels. Hij ziet Lazarus wel en hij roept wel om vader Abraham, maar alleen maar om wat water voor zijn eigen mond, want zegt hij: want ík lijd pijn in deze vlammen. De rijke man deelt hier bijna nog zijn orders uit aan vader Abraham en Lazarus die hem maar even wat water moet komen brengen. Abraham probeert de rijke man toch enig inzicht mee te geven en zegt: “Kind, bedenk jij je wel dat jij je goede deel tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost en lijd jij pijn.” Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan en ook niemand van jullie kan naar ons oversteken. Maar de rijke man houdt hardnekkig vast. “In dat geval” zegt de rijke man “smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat zij niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen. “En nog steeds heeft de rijke man het niet begrepen. Hij maakt zich weliswaar zorgen, maar slechts alleen over zijn eigen familie. Eigen familie eerst, maar dat je als mens ook een taak en een verantwoordelijkheid draagt voor je naaste in de wereld lijkt niet door te dringen. De rijke man ziet nog steeds spiegels en geen vensters…. De boodschap van dit gedeelte wordt hier zelfs wat aangescherpt. Wil je de kloof overbruggen dan moet je eerst de kloof werkelijk zien? Voor dat zien moet je uit het venster kijken, andere mensen waarnemen, zullen poorten geopend moeten worden en kan je niet alleen maar kijken in de spiegel van het eigen genot.
 
Dan krijgt het verhaal een verrassende wending. En vormt eigenlijk een soort kritiek op het geijkte christelijke geloof en misschien zelfs op hoe wij hier zitten. Want Abraham zegt: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren”. De rijke man wil zijn broers waarschuwen en wil hen zeggen dat ze anders moeten leven, maar Abraham zegt: dat weten ze allang. Mozes en de profeten hebben dat allang verteld. Maar de rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen. “Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.” Wat betekent dit antwoord nu eigenlijk? Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat. Voor dat we die vraag goed kunnen beantwoorden een andere vraag? Wat is nu de kern van het Christendom? Waar staat of valt ons geloof nu mee? Velen zullen antwoorden met de Opstanding van Christus. Dat is de kern van ons geloven. Dat is kern van ons belijden. En hoe waarachtig dit ook is, juist dat aspect wordt hier fijntjes onder kritiek gezet. Het Koninkrijk van God en de Opstanding zijn niet los verkrijgbaar en pas te vatten in de context van de Wet en de Profeten. De opstanding van Jezus uit de dood kan niet zomaar de basis zijn voor ons gehele geloof. Eigenlijk waarschuwt Lucas zijn lezers dat het in het geloof niet alleen om vrome waarheden gaat, maar ook om handelen, om opkomen voor de armen. Het gaat er om dat we ons geloof doen! Komen we dus Christus vooral tegen in ons belijden alleen of komen we hem misschien vooral tegen in die armen bij de poort? Of zoals ons jaarthema keer op keer Jezus aan het woord laat komen als Hij zegt: alles wat je voor de hongerige, de dorstige, de naakte, de vreemdeling, de zieke, de gevangene hebt gedaan, heb je dat voor Mij gedaan.
 
Ook in ons politieke en maatschappelijke bestel klinken dezelfde termen en wordt er gesproken in termen van arm en rijk, van gezond en ziek, van jongeren en ouderen, van werkend en werkeloos. Van allochtoon en autochtoon. Van een Europa dat wel een fort wordt genoemd tot smalle bootjes vol vluchtelingen. En we kunnen ons afvragen hoe deze woorden in onze dagen wegen? In ieder geval kunnen we vanuit deze parabel concluderen dat er ook in onze dagen mensen bij de poort zitten en staan. Ook in onze dagen is er sprake van een kloof tussen de een en de ander, tussen zij die alles hebben en zij die niets hebben en worden sommigen poorten angstvallig dichtgehouden. Juist in dat licht van vandaag wil het verhaal ons opnieuw bevragen. En daarbij moeten we ons bedenken dat in het verhaal de arme een naam heeft. De arme dat is Lazarus. Maar de rijke heeft geen naam.  Zo laat als vanzelf de parabel de vraag heel bewust naar boven komen: wat zou eigenlijk de naam zijn van de rijke man in dit verhaal? En dat we die vragen gaan stellen: dat is nu precies de bedoeling Want wie zou die rijke mens nu zijn in dit verhaal? Aan welke kant van de kloof staan wij? Houden wij soms een poort gesloten? En wat belijden wij nu eigenlijk in en met ons geloof? Kijken wij door de ramen of kijken ook wij in spiegels?

Amen