Preek van deze Week

Preek van ds. David van Veen over Genesis 9: 8 - 17 en Marcus 1: 12 - 15
De Veste Gouda, 21 februari 2021

We luisterden zojuist naar het lied van Rames Shaffy ‘Het is stil in Amsterdam’ met daaronder de beelden gemonteerd van de stille straten tijdens de Lockdownperioden. In beeld en lied wordt zo de stilte gevangen. Een stilte waartoe ook deze 40 dagen weer oproept als voorbereidingstijd op het feest van Pasen met als start vandaag de oproep om met Jezus de stilte van de woestijn in te trekken. Maar dat roept ook een ambivalentie op. In dat lied bezingt Ramses die stilte als iets waar hij van geniet. Hij hoopt dat hij niemand zal tegenkomen. Maar naarmate het lied vordert slaat de stemming om. De stilte wordt benauwend en maakt eenzaam en eindigt met de woorden: “Ik wou dat ik nu eindelijk iemand tegenkwam.” Diezelfde ambivalentie proeven we ook in de beelden die we zagen. Prachtig hoor, die stille stad en zo staan er talloze filmpjes van steden op internet. En misschien had aanvankelijk zelfs die lockdown ook wel iets aangenaams. Niet meer in de drukte van de file staan of tussen al die mensen in de trein en op de straten. Nee, gewoon lekker thuis achter je eigen bureau. Maar ook daar duurde het niet lang of we begonnen zelfs kantoor te missen. Kwamen soms zelfs de muren op je af. En als we vanuit dat gevoel nu de oproep horen om de woestijn in te trekken om stil te worden aan het begin van deze 40 dagentijd was mijn eerste gevoel eerlijk gezegd: die woestijntijd hebben we nu wel genoeg gehad. Lockdown, avondklok, doe mij maar wat reuring zoals vorig weekend dat schaatsfeest op het ijs. Of zoals dit weekend: lekker naar buiten voor een lentegevoel en vogels die fluiten. Of misschien denkt u wel aan gezellig uit eten, een drankje in de kroeg, een goed schoolfeest voor de jongeren, koffiedrinken na de kerk, u kunt vast zelf ook wel wat bedenken… 
 
Nu, die ambivalentie rondom de stilte komen we eigenlijk altijd wel tegen. Ook als je wel bewust de stilte zoekt, zoals ook Jezus doet. Stilte levert geen esoterische rust op, maar maakt aanvankelijk juist onrustig en confronteert je met jezelf. Dit jaar is het de evangelist die ons naar de woestijn brengt samen met Jezus. Dat gaat anders dan we normaal zo horen bij die andere evangelisten. Wat vooral opvalt, is het hoge tempo in dit evangelie van Marcus. In zijn evangelie komt wel 42 keer het woordje’ terstond’ voor of ook wel vertaald met ‘meteen’. Terstond gingen ze naar…. Of zoals hier: Meteen dreef de Geest hem de woestijn in.  Het geeft de voortdurende vaart aan waarmee Marcus zijn evangelie schrijft. Marcus maakt er haast mee om zijn evangelie te vertellen. In een paar verzen wordt Jezus gedoopt, gaat de woestijn in en begint het goede nieuws te verkondigen. Waar de anderen in wel liefst twee hoofdstukken nodig hebben, is Marcus met 11 verzen klaar. Toch legt ook Marcus in die paar verzen een eigen accent. Laten we daarom met Jezus toch die woestijn in gaan…. 40 dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door de Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren en de engelen zorgde voor hem. 40 dagen. Dat noemt Marcus niet voor niets, zoals onze tijd tot Pasen ook niet voor niets 40 dagen duurt. 40 dagen is in Bijbeltaal altijd woestijntijd en doet denken aan het volk Israël dat 40 jaar door de woestijn zwierf. Ook voor hen was het een periode om daar tot bezinning te komen, om na de bevrijding uit Egypte een volk te leren worden, om een verbond aan te gaan met God en met elkaar. In die woestijn wordt Jezus op de proef gesteld door de Satan. Dat verhaal kennen we, want meestal horen we hier van de varianten van Mattheus en Lucas die hier uitgebreid over vertellen. Dat de duivel Jezus vraagt om van stenen brood te maken en dat Jezus dan hem van repliek dient door te zeggen: de mens leeft niet van brood alleen. En dat is nog maar de eerste verzoeking…. 
 
Bij Marcus niets van dit alles en gaat hij snel door naar een meer vredig beeld, zo lijkt het, van Jezus die daar leefde te midden van de wilde dieren en waar de engelen voor hem zorgden. Het is bijna of we terug zijn in het paradijs. En daar zit ook wel wat in, want Jezus wordt wel de nieuwe Adam genoemd. Het is een beeld van vrede want de wilde dieren doen hem niets. Hier resoneren ook wel teksten van de profeet Jesaja mee zoals bijvoorbeeld Jesaja 65: 25 waar die bekende tekst staat:  
Wolf en lam zullen samen weiden, 
Een leeuw en een rund eten beide stro 
En een slang zal zich voeden met stof. 
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg – zegt de Heer. 
De traditie leest op deze zondag ook van het verhaal over Noach na de zondvloed. Misschien dacht u net wel: dat zijn wel heel verschillende verhalen en dat is natuurlijk ook zo. Toch is het ook weer niet zo heel vreemd, want ook bij Noach wordt een visioen van vrede geschilderd, een nieuwe schepping met het teken van Gods trouw in de regenboog aan de hemel. En ook hier bij Marcus is Jezus zojuist omhoog gekomen uit het water van de Jordaan en begint God in hem opnieuw. En net als bij de Ark is het ook hier in de woestijn een beestenboel, zoals Noach staat ook Jezus te midden van de dieren. En net zoals bij Noach begint hier bij Marcus in en met Jezus het verhaal van de bevrijding, van die nieuwe wereld; dat Koninkrijk van God waarin God en mensen met elkaar verzoend worden en het vrede zal zijn. 
 
Nu dan zijn we nu snel klaar zou je kunnen zeggen. Terstond was deze preek afgelopen zou Marcus dan zeggen. Maar dan gaan we echt te snel, want zeker al deze lijnen zijn te trekken, ook tussen Adam en Jezus, tussen Noach en Jezus, maar als we iets dieper lezen dan komen we hier toch ook weer die ambivalentie op het spoor. Met het kwade, het menselijke zijn we toch niet zo snel klaar als we zouden willen. In de woestijn, in de stilte, word je met jezelf, ook met dat kwade in jezelf weldegelijk geconfronteerd. Maar voordat we die kant in dit verhaal van Jezus in de woestijn voor het voetlicht brengen, zoomen we eerst in op Noach, want ook daar komen we die ambivalentie tegen. Hij is misschien niet de grote geloofsheld zoals we vanuit onze kinderbijbels altijd hebben geleerd. Natuurlijk Noach wordt omschreven als een rechtschapen man, die voorbeeldig leefde en zelfs wandelde God. Dat komen we maar een paar keer tegen in de bijbel. We horen dat bijvoorbeeld bij Henoch en bij Adam in het paradijs waar God met hen opliep. Dat wandelen is een beeld van intimiteit. Van het letterlijk samen op lopen met God. Toch eindigt het verhaal van Noach heel anders. Daar horen we dat hij naakt en dronken in zijn tent ligt. En de enige keer dat we Noach direct aan het woord horen in die hoofdstukken is als hij zijn zonen zegent, maar ook zijn jongste zoon vervloekt. De Joodse uitlegtraditie zegt wel dat Noach zo dronken was, omdat hij wroeging voelde voor al die mensen die omgekomen waren bij de zondvloed. Noach wordt namelijk enerzijds wel geprezen omdat hij zo gehoorzaam was aan God. Hij doet wat hem was opgedragen, maar verder horen we – letterlijk zelfs – helemaal niks van hem. Dat raakt aan de vragen als: had Noach niet voor de mensen in de bres moet springen? Had hij hen niet moeten overtuigen om zich te bekeren? Had die Ark niet ook veel meer mensen kunnen redden? In de Joodse folklore is Noach een Tzaddik im Peltz geworden, een rechtvaardige in een bontjas. Er zijn namelijk twee manieren om warm te blijven in een koude nacht: een bontjas kopen of een vuur stoken. Koop een bontjas en je blijft zelf warm. Stook een vuur en je laat anderen ook warm blijven. Vandaar dat Noach genoemd wordt een rechtvaardige, maar wel in een bontjas. 
 
Het is daarom dan ook dat niet Noach, maar vooral Abraham als geloofsheld wordt gevoeld door de rabbijnen. Zij wijzen erop dat Abraham wel opkwam voor anderen, oorlog voerde om zijn neef te redden, Abraham was het die bad voor het volk van Sodom en Gomorra, met God zelf in discussie ging door te zeggen: stel nu eens dat ik 50 rechtvaardigen weet te vinden, zou u dan omwille van die 50 de stad geen vergeving willen schenken. En als een ware koopman weet hij het zo “af te dingen” op tien rechtvaardigen. Abraham was het die de hemel zelf uitdaagde door te zeggen: “Hij die recht is over heel de aarde moet toch ook zelf rechtvaardig handelen?” De rabbijnen wijzen erop te zeggen dat wij mensen niet onmondig zijn geschapen, sterker nog: God heeft ons tot verantwoordelijke wezens gemaakt. Het is die verantwoordelijkheid die Abraham neemt. Of zoals de rabbijnen dat zeggen: “Er is moed voor nodig om een gebroken wereld te herscheppen.” Abraham steekt zijn nek uit en neemt die verantwoordelijkheid. En mogelijk heeft Abraham wel gefaald, maar Noach heeft het niet eens geprobeerd zo zeggen zij. Ik kan me voorstellen dat het beeld van Noach misschien wat wankelt bij u. Toch is het die ambivalentie die juist die Bijbelse figuren voor ons zo herkenbaar maken. Juist doordat het gewone mannen en vrouwen zijn met sterke maar ook met zwakke kanten onderstreept dat God met mensen zoals wij onderweg wil gaan. Wij zijn geen engelen. Het beeld van Noach sluit ook aan bij wat na de zondvloed blijkt. De zondvloed was een omgekeerde schepping geweest. Het was God genoeg. Hij had gezegd: “Ik maak er een einde aan, want de mensen zijn vol kwaad.” En de chaos van de oerwateren was even teruggekeerd maar nu kon er een nieuwe schepping weer beginnen met Noach, de zijnen en de dieren. Dat was dat beeld van vrede en een nieuwe begin. Ja, dat klopt, God heeft zelfs spijt en zegt het nooit meer te zullen doen. Zeker, maar dan vergeten we te lezen waarom God dit zegt. Er staat namelijk: Nooit meer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. 
 
Het verhaal vertelt dus dat het kwade bij het leven komt. En dat dit kwade ook na de zondvloed er gewoon weer is. Ook in mensen. Zelfs dus in Noach. Alleen God zal de mens daarom nooit meer vernietigen. Ondanks dit kwade blijft God ons trouw en genadig. Maar dat kwade komt dus wel bij dit leven en is iets waartoe wij ons mensen moeten verhouden. Dat is een worsteling en een zoektocht. Dat vertelt het Bijbelse verhaal ons dus al vanaf beginne. Zowel na de zondvloed als in de stilte van de woestijn ontdek je dat je het kwade niet kunt wegstoppen. Het is er blijkbaar. De vraag is vooral hoe je je tot dit kwade verhoudt. En als je zo jezelf en de donkere kanten in jezelf onder ogen durft te komen dan kun je ook anders leren kijken naar de mensen om je heen. Dan wordt je ruimhartiger. In die zin staan die wilde dieren in de woestijn ook symbool voor onze menselijke ziel, het dierlijke in onszelf. Homo homini lupus. De mens is vaak een wolf voor zijn medemens leerden ze in de oudheid al. Beschaving is vaak maar een dun laagje vernis.  Wij zijn geen engelen zei ik al. Hij leefde er te midden van de wilde dieren en de engelen zorgde voor hem. En het dat is het misschien wel. Een mens moet het uithouden tussen de wilde dieren en de engelen. De mens is geen engel, geen dier. Te midden daarvan moeten we het uithouden. Te midden van het dierlijke én het geestelijke in ons. Niet door onszelf te overschreeuwen en te denken dat we alleen maar vroom en zuiver als engelen moeten zijn. Dan stoppen we alleen dat dierlijke maar weg onder de putdeksel totdat het er uitbarst. Onderdrukte driften kunnen dan net als rivieren bij hoogwater buiten de oevers treden. Nee, we moeten onszelf in de stilte van de woestijn onder ogen komen. De wilde dieren in ons onder ogen komen en ons daartoe leren verhouden. Weten dat we ondanks alles aanvaard zijn door God. In de stilte ontmoeten we de ambivalentie van rust en onrust, van op adem komen en adem benomen, van vrede en van strijd, van dagen en van nachten, van honger en van dorst, van vragen en van angsten. Zo mogen wij in de woestijn staan.  Mensen die hij zoekt, die hij roept. En we zijn geen god onder de goden, geen engel, maar ook geen dier alleen. Zo mogen we ontdekken dat een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd is leven van genade.  
 
Amen