Meditatie

Ds. M. Th. van der Sijs, predikant wijkgemeente De Veste
Uit: Protestants Kerknieuws 11 mei 2012

Houd in herinnering dat Hij terug zal komen, zoals Hij van ons ging

In het geloof van veel mensen wordt de hemel vaak tegenover de hel geplaatst. Maar het is bijbelser om de hemel als ruimte waar God woont niet tegenover de hel te plaatsen, maar tegenover de aarde, als plek voor de mens om te leven. Zoals Psalm 115 het zegt: De hemel is de hemel van de Heer, de aarde heeft hij aan de mensen gegeven. Minstens zo belangrijk is niet of wij wel naar de hemel gaan, maar wat er uit de hemel, van Godswege, naar ons toekomt en wat ons hier en nu in beweging zet.

De bijbelse berichten over de hemelvaart zijn beperkt. Marcus zegt er niets over (afgezien van het slot dat er later aan toegevoegd is). Bij Matteüs en Johannes vormen de opstanding uit de dood en de opneming bij God één geheel. Alleen bij Lucas is de hemelvaart van Jezus duidelijk onderscheiden van zijn opstanding.
Zijn reis naar de hemel is een reis naar thuis. Ik versta de symboliek van de hemel zo: goddelijke nabijheid, bron van geluk en goedheid. Het Oude testament vertelt van die figuren die Jezus voorgingen in zijn hemelvaart: Henoch, Mozes en Elia. Zij allen leefden in diepe verbondenheid met de Vader. Dat God hen over de grens van de aarde wegvoert is prachtige beeldspraak voor hun intieme relatie met de Eeuwige. Tegen die achtergrond past de gedachte dat mensen die gestorven zijn, ‘in de hemel’ zijn, dat wil zeggen: bij Christus.

In Handelingen lezen we dat een wolk ‘hem wegneemt van hun ogen.’ De bijbelse verhalen gebruiken de wolk vaak als beeld van Gods aanwezigheid èn van zijn verborgenheid. Sluiten die elkaar dan niet uit? Nee, het is en-en. God is nabij en ver weg. De bijbelse mens ziet de wolk en beseft dat God daarin tot hem komt, en tegelijk weet hij dat God zich niet laat zien. Het duidelijkste voorbeeld is de wolk- en vuurkolom in het boek Exodus.
Daniël ziet in een visioen met de wolken van de hemel een mensenzoon verschijnen. Lucas grijpt naar dit beeld terug bij zijn verhaal over de hemelvaart van Jezus.
Ook brengen de wolken, alsof het voertuigen zijn, de gelovigen naar Christus. (1 Thessalonicenzen 4: 17 en Openbaring 11: 12). Maar het initiatief gaat van de hemel uit, het is de beweging van boven naar beneden, en soms weer terug naar boven. Dat is troostrijk, want: “Wie kan er aarden hier beneden als er geen open hemel is?” (Novalis).

Met hemelvaart belijden we dat de werkelijke Heer van de geschiedenis niet de koningen zijn die regeren of de machten die ons imponeren. Jezus is als Heer van de kerk betrokken op zijn volgelingen. Als Stefanus wordt gestenigd slaat hij zijn ogen op naar de hemel en ziet Jezus als de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God. Merkwaardig detail: Jezus zit niet, hij stáát als zijn kinderen in uiterste omstandigheden raken. Dat zegt iets over zijn koningschap. Hij is een koning die marteling en dood kende. De zoon heeft de littekens van de confrontatie met de macht van de dood op zijn lichaam. Die weet wat mensen te verduren krijgen.

Over de grote dingen in geloof en leven kunnen we het best ons oor lenen aan zangers en dichters, omdat die vaak woorden voor het onbenoembare vinden.
J.W. Schulte Nordholt is de dichter van Gezang 234 uit het Liedboek:

meditatie-11mei1

Al heeft Hij ons verlaten,
Hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in Hem bezaten
is altijd om ons heen
als zonlicht om de bloemen,
een moeder om haar kind.
Teveel om op te noemen
zijn wij door Hem bemind.

Al is Hij opgenomen,
houd in herinnering,
dat Hij terug zal komen,
zoals Hij van ons ging.
Wij leven van vertrouwen,
dat wij zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen
in alle eeuwigheid.

De kerkmusicus Wim Kloppenburg is niet erg te spreken over de melodie van dit lied. Hij heeft het over een buitengewoon ongelukkige relatie tussen tekst en melodie: “de wijs is ontleend aan een adventstlied.” Ik deel zijn mening. Het gaat wel vaker mis. In het lied dat ik als kind leerde (Op een lichte wolkenwa-ha-gen, werd de Heer van daard ge-he-dra-ha-gen) lopen tekst en melodie niet echt parallel.

Terug naar de tekst van Gezang 234. De dichter overbrugt de ruimte die er lijkt te zijn tussen de hemelse en de aardse Jezus: “Al heeft hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen.” Met concrete beelden wordt die gedachte versterkt: het zonlicht en de bloemen, de moeder en haar kind. Dat zijn intieme en vertrouwenwekkende beelden: de moeder die haar kind in het oog houdt en de bloem die zich naar de zon keert.

In het tweede couplet wordt het verband gelegd tussen de hemelvaart en de wederkomst. Daar blijft de dichter bij de tekst uit Handelingen (1:11): “Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.” Dat is mooi, de gaande is de komende man (W.R. van der Zee).

Fotobijschrift: Glas 63 uit de St.-Janskerk
De Hemelvaart (omstreeks 1557)
Schenker: Willem Jacobsz, overste van het Mariaklooster in Gouda