Preek van deze Week

Metamorfoses zijn in onze dagen helemaal ‘in’. Menig televisieprogramma doet er wat mee. Of het nu gaat om je tuin die wordt omgetoverd tot een waar paradijs of een woonkamer waar een binnenhuisarchitect de twee totaal verschillende smaken van een echtpaar via moodboards weet te verenigen in een leefbaar compromis. Van een programma van Gordon ‘Hotter than my daughter’, waarin hij dochters helpt die zich voor hun te opzichtige geklede moeders schamen tot programma’s waarin mensen op allerlei mogelijke manieren worden geholpen met hun gewicht, uiterlijk, tanden, noemt u het maar op. Metamorfose betekent gedaantewisseling, gedaanteverandering. En als je naar zo’n televisieprogramma kijkt dan is dat soms inderdaad te geval. Als iemand door die draaideuren naar voren komt, zien familie en vrienden daar een vaak totaal andere gedaante staan. Of dit altijd ook een verbetering is, is vaak nog maar te bezien. Een ander woord voor metamorfose is transfiguratie. En zo wordt het verhaal dat wij lazen ook wel genoemd. De transfiguratie van Jezus of wel de metamorfose van Jezus, zijn verandering. Nu horen ook bij hem dat hij andere kleren heeft, namelijk stralend witte kleren en ook horen dat zijn gezicht straalde, maar begrijpen we wel dat het hier om een andere metamorfose gaat dan wij op onze televisies zien, maar hoe we dat dan moeten verstaan is nog niet zo eenvoudig…..

Om dit verhaal te verstaan, moeten we gek genoeg beginnen met het laatste vers. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien. De evangelist Marcus zegt het wat mij betreft nog wat preciezer: Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. Oftewel: pas na Zijn Opstanding zou dit verhaal verteld kunnen worden. Pas na Pasen valt dit verhaal op zijn plek. Nu, wij leven na Pasen en deze verhalen zijn na Pasen opgeschreven. Wij kunnen dus zien en wellicht begrijpen dat er Paaslicht op dit verhaal valt. Zoals we gehoord hebben dat bij Zijn opstanding weer die stralend witte kleren er zijn en hij weer een stralende, lichtende gestalte heeft. Kortom: hier op de berg is Jezus al even de Opgestane, Verheerlijkte Heer. Het licht van Paasmorgen valt hier als het ware vooruit, licht vast een tipje van de sluier op. En dat hebben we hard nodig, want er klinken vanaf nu ook andere woorden in het evangelie. Woorden die vertellen over de weg van lijden en dood die Jezus zal gaan. Lucas vertelt dat Jezus het ook daar met Elia en Mozes over heeft. Over zijn ‘exodus’ staat er letterlijk. Maar juist daarom is het zo belangrijk dit verhaal in het licht van Pasen te lezen. Want als je het dan leest dan weet je dat die Exodus geen Exit was, maar een nieuw begin. Dat Jezus hier een nieuwe uittocht gaat, een weg van bevrijding dwars door het water van de dood heen. Hier op de berg krijgen we al even te zien en te horen dat God Jezus niet los zal laten, dat Hij hem zal verheerlijken, alle eer zal geven, dat Hij Jezus weg zal onderstrepen, hem vasthoudt door de dood heen om hem te doen opstaan en hij mag zitten aan de rechterhand van de Vader zoals de traditie dat omschrijft. Hier in dit licht op de berg krijgen we dus een voorproefje van dat eeuwige licht. Natuurlijk zijn daar ook Elia en Mozes. Die staan voor de wet en de profeten. Zij bekrachtigen als het ware dat deze weg van Jezus ligt in de lijn van wat de wet en de profeten hebben gezegd. En die bekrachtiging is hard nodig want dat een Messias zou lijden lag niet in de lijn van de verwachting. Hier op de berg wordt onderstreept dat Jezus in goed gezelschap is. Dit is de weg die hij moet gaan en over die weg, die exodus is hij met Elia en Mozes in gesprek. Hier op de berg zien we een hemels visioen dat Petrus graag wil vasthouden. Impulsief en praktisch ziet hij onmiddellijk mogelijkheden. Hij stelt voor om op de berg te gaan wild kamperen. Nu is het zo dat dit je zeker dichterbij het eeuwige kan brengen, zo is ook mijn eigen ervaring. Juist hoog in de bergen, kwetsbaar gelegen in een tentje, kun je je soms heel dichtbij de Eeuwige weten om dat het raakt aan een grootsheid die indrukwekkend is. Maar hier op de berg is het misschien toch wel heel aards gedacht van die Petrus. Het is bijna kinderlijk, maar ook zo herkenbaar, want willen ook wij niet als we iets geweldigs meemaken, iets moois zien of op een prachtige plek staan onmiddellijk dit vastleggen door naar onze mobieltjes te grijpen in plaats van de ervaring zelf te ondergaan. Toch moeten we Petrus ook niet als te naïef wegzetten. Immers in dit verhaal klinken allerlei echo’s van verhalen uit Exodus mee toen het volk door de woestijn trok en op de berg de tien geboden kreeg. En woonde ook in die woestijn Gods heerlijkheid niet in een tent, de tabernakel? Echter, voordat Petrus antwoord krijgt, kwam er een wolk aandrijven die hen omhulden. De discipelen werden bang zegt onze vertaling. Maar het is preciezer: het is dat ouderwetse woord ‘ze werden met vrees vervuld.’ Vrees, dat is ontzag hebben voor. 
 
En ik zei al, die oude verhalen uit Exodus klinken hier mee en daar in de woestijn was het God die hen vooruit ging in een wolk. Daarom werden die discipelen met vrees vervuld, omdat ze wisten dat die wolk Gods tegenwoordigheid was. Een wolk die zichtbaar is en tegelijkertijd ongrijpbaar blijft, tastbaar én ontastbaar tegelijk, onthullend en verhullend: het is prachtig beeld voor God, voor Zijn Nabijheid én Anders-zijn. En dan klinkt er een stem. De stem van de Eeuwige zelf. De stem richt zich op de discipelen, want wat de stem zegt heeft Jezus zelf al gehoord bij zijn doop. Ook de Eeuwige onderstreept hier wie Jezus is, welke weg hij zal gaan: “ Dit is mijn zoon, mijn uitverkorene, luister naar Hem.” En na deze woorden is alles weer weg, zien ze Jezus alleen. Of zoals Huub Oosterhuis het zingt: Dan jij. Ik hoor je stem. Ik zie – soms even. En misschien is dat wel iets dat we herkennen en soms ook ervaren. Dat zo’n ervaring ons toevalt. Dat we soms even zien, even dat licht van de Eeuwige zien oplichten in ons leven. Een hemelse tinteling, een emotioneel brok van ongekende diepte in onze keel, een opening aan de horizon, daar waar de hemel de aarde raakt. Zien soms even…. En misschien valt het ons wel gemakkelijker toe als we de bergen intrekken, even alles achter ons laten van wat ons steeds weer in dat aardse trekt, in dat kleine leven met al zijn regels en patronen waarin de agenda vertelt wat er gebeuren zal, gebeuren moet…. Daarom: Zoek eens de ruimte, de weidsheid. Geef eens adem aan je ziel.
 
Zingen lied: 695: 1,2 en 3

Het verhaal dat we vandaag hoorden is bekend. Het behoort tot de sleutelverhalen van het evangelie. Maar omdat we al zo vaak gehoord hebben, wil ik er vandaag tenslotte ook eens met u naar kijken. U ziet hier een icoon van de transfiguratie. Het is een laat 15e-eeuws icoon uit het noorden van Rusland, uit de school van Novgorod. We kijken er naar door ogen van Benoit Standaert, een benedictijner monnik, die dit beschrijft in zijn boek ‘ De Jezusruimte’[1]. Een icoon wordt ook wel een venster naar de hemel genoemd. Het schilderen er van is een spiritueel proces. Het eerste wat een onbevangen toeschouwer opvalt is de verticale opbouw van het geheel. Onderaan de drie leerlingen, bovenaan Jezus met naast hem Mozes en Elia. Merkwaardig is de volstrekte afwezigheid van verbindingslijnen tussen de drie figuren beneden en de bovenste rij van drie. De middenstrook is opvallend leeg, zonder enige weg of pad. In het midden zien we alleen woestenij en bergland. Standaert zegt: “ Het kostte me wat tijd – zes of zeven jaar! – voor ik een bevredigend antwoord kon vinden op de vraag naar de zin van die lege middenstrook. Het was mijn diepste overtuiging: hier ligt een wezenlijke structuur voor het verstaan van de opbouw van het icoon als geheel. Maar waaraan beantwoordt ze? Dat de schilder zich wat misrekend zou hebben en dat daarom die strook iets te breed was uitgevallen, is gewoon onzin… Langzaam moet je groeien tot je bij het punt komt dat één trek of vorm je plotseling als iets wezenlijks in het oog springt. Zo is het althans met mij gegaan: als een plotselinge doorbraak gaf de icoon haar boodschap vrij.” Vervolgens legt Standaert uit dat optisch en geestelijk het allemaal in de linkerhoek onderaan begint. Daar zien we Jacobus die in een soort foetushouding ligt. Hij heeft de handen voor de ogen. Hij is nog onmondig en niet in staat het wezenlijke Licht in het gelaat te zien. Moeten we eerst niet herboren worden, uit den hoge, volgens het woord van Jezus aan Nicodemus? 
 
De tweede figuur lijkt zijn perfecte tegenhanger. Vooruit kruipend in plaats van achterover tuimelend, op handen en voeten, terwijl hij zich nog het hoofd moet ondersteunen en met zijn rug naar het licht gekeerd blijft. Zo bereidt hij de overgang naar het stadium van de derde leerling in de rechterhoek. Dat is Petrus. Hij richt zich op met het gebaar van een redenaar. Hij komt dus aan het woord en kent de goede richting. Standaert zegt: ‘ Hij blijft evenwel gescheiden van het licht en staat er even ver vanaf als de twee anderen. En zoals in het evangelie, loopt Petrus ook hier het gevaar zijn mond voorbij te praten. Het lijkt wel op de pelgrim die hele verhalen weet te vertellen over de weg die hij echter nog moet afleggen. Past hier niet het woord van de Tao: “ Hij die spreekt, weet niet. Hij die weet, spreekt niet?“ Dit zou je eerste etappe kunnen noemen. De horizontale groei is voltrokken. Van een foetushouding naar mondigheid, van een onbewust en onpersoonlijk bestaan naar een opgericht leven, met verantwoordelijkheid en perspectief. Nu kan het eigenlijke avontuur, de bergbeklimming beginnen…  
 
Echter deze verticale klim en groei verloopt anders dan we ons kunnen voorstellen. Het gaat hier om de paradox. Wie winnen wil, zal verliezen. Wie zichzelf uit handen geeft, haalt het. Wie zich verheft, zal vernederd worden. Wie zichzelf vernederd, zal verhoogd worden. Wie die loutering duurzaam doorstaat, komt bij Elia en Mozes terecht, de twee uitgeholde naar Jezus toegewende figuren. Standaert zegt: “ Het zijn opvallende gestaltes: gebogen, innerlijk opengebroken, met niets hardvochtigs meer op de bodem van het hart. Volkomen leeg van zichzelf, lijken ze zonder zwaartekracht de berg te raken, heel hun bestaan gericht op de Ander. Midden tussen hen is Jezus stralend nabij in de wolk, hier weergegeven als een cirkel. De overgang van Mozes en Elia naar Jezus is niet een van stijging maar van ommekeer. Als we de wolk binnentreden wordt dat wat eerst tegenover ons stond, onze binnenkant. We worden geheel en al vervuld zoals Jezus zelf die geheel en al leefde in Gods Geest. Jezus treedt hier vrij en opgericht naar voren. Met zijn rechterhand zegent hij en in zijn linkerhand houdt hij een boekrol vast – het openbaringswoord van zijn Vader die zegt: Dit is mijn zoon. Standaert citeert vervolgens de middeleeuwse Nederlandse mysticus Ruusbroec. Hij zegt: Hier staan we voor de gemeenzame mens’ zoals Ruusbroec die ooit typeerde op het einde van de geestelijke weg. Daar bedoelt hij mee ‘ onopvallend gewoon: leeg van elke zelfingenomenheid en vervuld van kwetsbare genegenheid voor elk wezen, klein en groot. Gemeenzaam, betekent: op unieke wijze iedereen nabij, de menselijke mens. Breedte en hoogte, diepte en verte, alle dimensies zijn vervuld met licht, met heerlijkheid, met één nederig stralende en alles ontwapende liefde. Standaert zegt: “ We raken op Christus nooit uitgekeken, in de mate dat, wat hier visueel wordt opgeroepen, inderdaad beantwoord aan de bron die Jezus in het hart van elke leerling kan doen opwellen: ‘ Het water dat Ik u zal geven zal in u een bron worden, opborrelend tot eeuwig leven.”Met deze icoon en deze interpretatie van deze Benedictijner monnik hebben we op een andere manier naar dat bekende verhaal gekeken. Een icoon waarin deze zes figuren samen één ladder vormen van de spirituele weg waarop wij Jezus mogen navolgen. Een weg waarop ook wij een metamorfose kunnen ondergaan, kunnen veranderen en groeien op de geestelijke weg want: Zijn Licht dat ieder mens wil verlichten.                                   
 
Amen 
 
Zingen lied: 695: 4 en 5

[1]Benoit Standaert, De Jezusruimte, Verkenning, beleving en ontmoeting, ISBN 9020941372, uitgever Lannoo, vanaf bladzijde 300