Preek van deze Week

Preek van ds. David van Veen over Mattheus 22: 1 - 14
De Veste Gouda, 11 november 2018

Lieve mensen,
 
Een van de mooie dingen van het leven is dit leven te mogen vieren. De geboorte van een kind, je verjaring, een bruiloft, de jubilea… Dat zijn toch vaak de momenten in het leven dat het goed is, af, dat vrienden en familie van alle kanten toestromen om te delen in jouw vreugde.
 
Toch is ook bij zulke feesten de uitnodiging soms onderwerp van enige stress en soms de eerste testcase voor een huwelijk. Wie wel en wie niet uit te nodigen? Toch die ene oom? Maar dan ook mijn tante? En als jouw collega’s komen dan nodig ik die van mij ook uit….Menig bruidspaar dat het klein wilde houden, eindigt met een aanzienlijk groter feest. Maar hoe klein of hoe groot het ook wordt: als gastvrijheid het uitgangspunt is, moet het feest welhaast slagen, is mijn opvatting. Soms brengt een feest niet alleen vrienden en familie, maar ook de gehele gemeenschap op de been. Bijvoorbeeld als we Koningsdag vieren of 5 mei, de dag dat Nederland de vrijheid omarmde. En als we voetbal spelen en het gaat een keer lekker, dan verwordt dat gevoel soms zelfs tot een ware volkshysterie. Dan kleurt het hele land oranje en zingen we dat we samen één zijn. Na de 3-0 overwinning op Duitsland onlangs gloort daar misschien iets weer van aan de horizon…En ook de overwinning van de leeuwinnen op Zwitserland appelleert aan dat gevoel… Ook in de kerk beleven we van die feestelijke momenten. Als we elkaar in de ogen kijken als we hier om het doopvont verenigd Pasen vieren. Als we samen het aloude kerstverhaal lezen van Jozef en Maria die onderweg gingen naar een stal in Bethlehem.

Feesten markeren onze levens en vaak verdwijnen voor even de problemen van vandaag, de verschillen met mensen om ons heen en beleven we een gezamenlijkheid die boven onszelf uitstijgt. En bij een feest hoort ook lekker eten en een goed glas wijn. Samen aan tafel gaan verbroedert en het is dan ook niet voor niets dat vaak de beste zaken aan een eettafel geschieden. Het is dat gevoel van eenheid dat ook het avondmaal beoogt. Het gedenken van de Heer, jazeker, maar ook samen het lichaam van de Heer zijn. De een de voet, de ander een hand, samen het lichaam van Christus als een kring die zich hier sluit. De profeet Jesaja gebruikte ooit ook zulke woorden om een visioen te schilderen waarin het leven goed is, de tranen gedroogd en mensen thuis zijn gekomen bij God zelf.
 
God geeft een feest, zegt hij en weet je wat: alle volken mogen komen. Een feestmaal zal het zijn met mooie gerechten en goede wijnen. En het is goed, want God zelf wist de tranen van elke gezicht. Zo zal het bij God zijn. En ook Jezus houdt wel van een feest. Sterker nog, het is zijn eerste teken. Op de bruiloft te Kana zorgt Jezus voor zo’n 700 liter wijn die ook nog eens van een voortreffelijke kwaliteit is. En zo’n bruiloft is ook nog eens een mooi beeld. Dat kom je ook bij de profeet Jesaja tegen. Het is tussen God en mensen zoals op een bruiloft, zegt Jesaja. God is de bruidegom en de mensen zijn zijn Bruid en zoals een bruidegom verlangt naar zijn bruid, verlangt God ook naar zijn mensen. En als het dan tot een bruiloft komt, als God en mensen zich samen weten, dan is er alle reden tot het vieren van een groot feest. Het is het aloude visioen van een samenleving die als een feest zou zijn, een bruiloftsfeest waarbij iedereen welkom is en voor iedereen genoeg, ja, meer dan genoeg zou zijn, zoals dat bij Oosterse bruiloften het geval was.
 
Tegen die achtergrond en deze aloude beeldspraak begint Jezus een verhaal te vertellen. Natuurlijk gaat dat dan ook weer over een bruiloft, een maaltijd, een feest. Als een verhaal dat uit moet leggen hoe het in het Koninkrijk van God is. Jezus begint en we horen de echo van dat visioen van Jesaja meeklinken. Een koning geeft een feest, zegt Jezus. Zijn zoon gaat trouwen en hij nodigt alle mensen uit om te komen. Er zal een feestmaal zijn met mooie gerechten en goede wijnen. En in nanavolging van Jesaja, zegt Jezus hier zoiets als: zo zou het koninkrijk van God mogen zijn. Mensen, wat een feest! Het leven gevierd! Dat klinkt inderdaad fantastisch en dat is het wellicht ook. Maar als de mensen voor dit feest worden uitgenodigd, blijkt dat ze wel wat beters te doen hebben. Ze halen hun schouders op. Ik moet werken, zegt de een. Er moet ook geld verdiend worden, zegt de ander. Hoe kan het nou zo zijn dat je op zo’n mooie uitnodiging ‘nee’ zegt, lijkt Jezus te vragen?
 
De Farizeeën die wel door hebben dat het in die verhalen vaak over hen gaat, staan om een hoekje te mopperen. Het lijkt wel of Jezus zegt, jullie zouden toch beter moeten weten, jullie zijn de genodigden, jullie kennen toch ook al dat visioen van Jesaja? Jullie zouden in ieder geval aan die tafel mogen zitten? Kom allen en doe mee in dit Koninkrijk van God. Maar de Farizeeën hebben wel wat beters te doen. Ze halen inderdaad hun schouders op. Aan tafel gaan? We kijken wel uit. Die Jezus gaat met iedereen aan tafel. Hoeren en tollenaars, zondaars en andersgelovigen. Dan kan toch niet goed zijn. Dat kan nooit de bedoeling zijn van Gods koninkrijk, als zelfs zulke mensen mogen meedoen, waar blijven we dan? Daar willen we ons niet aan committeren. Het irriteert ze en ze maken zelfs plannen om Jezus te doden met zijn boodschap van dat koninkrijk van God. Nee, die Farizeeën hebben de boodschap wel begrepen.

Toch is het de vraag of die boodschap alleen voor hen bedoeld is, want ook wij kunnen ons afvragen wat wij met Gods uitnodiging doen? Welke plek God in ons leven heeft? Trekken wij ons iets aan van dit koninkrijk van God? Is het ook bij ons niet vaak de dagelijkse gang van zaken die bepalend is? We hebben het altijd druk met ons werk. Met het geld dat verdient moet worden. Het gezin dat moet blijven draaien. Ik denk dat vaak andere zaken onze aandacht trekken en dat ook wij vaak de schouders ophalen. En hoe moet je soms ook dat visioen van het Koninkrijk van God samen denken met het nieuws dat je op tv ziet? Kan dat koninkrijk eigenlijk wel komen in deze wereld?
 
Met de kinderen van groep 3 hebben we afgelopen twee weken met de kindercatechese stil gestaan bij het avondmaal en ook het verhaal waar wij het vandaag over hebben. Zo spraken wij over verjaardagsfeestjes en hoe dat werkt met uitnodigingen. En kinderen geven vaak verrassende antwoorden. Dat ontdekte ooit ook ds. Nico ter Linden. Zo vertelt hij in zijn boek dat ook hij de kinderen op het schooltje in het oude dorp eens vroeg: begrijpen jullie dat nu? De tafels zijn gedekt, de spijzen zijn warm, de wijn staat koel, maar het huis blijft leeg. Waarom komen die genodigden nu niet? Een jongetje stak zijn vinger op. Ze zijn bang dat ze hem terug moeten vragen. Dat moet het zijn, zegt Ter Linden. En zo is het maar net - dat jongetje heeft gelijk! -, want ja zeggen op de uitnodiging en komen, betekent toch ook dat je meedoet, meeviert, dat je erachter staat. De uitnodiging aangrijpen, vraagt ook om commitment, om navolging. Na het nee van de genodigden in het verhaal, krijgen de dienaren de opdracht om op de toegangswegen naar de stad te gaan staan en iedereen uit te nodigen die ze tegenkwamen. En de dienaren deden wat hen was opgedragen, nodigden iedereen en brachten zo zoveel mogelijk mensen samen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd. Komt allen, want alle dingen zijn gereed. Goed en slecht, arm en rijk, klein en groot, iedereen is genodigd tot de maaltijd van deze Heer. En inderdaad, het klopt dat deze Heer met iedereen aan tafel wil.
 
Iedereen mag meedoen: dat klinkt eigenlijk heel modern. Een ruimhartigheid die wij graag bij God denken. Gelukkig, het komt toch nog goed en zo horen verhalen over koningen en bruiloften toch ook eigenlijk te eindigen? Maar hier gaan we toch misschien iets te gemakkelijk mee om en daarom heeft het verhaal wellicht ook nog een staartje…. Iedereen is weliswaar uitgenodigd, uit alle windstreken, goeden en slechten, maar er blijkt wel een dresscode te zijn. En de koning komt binnen om het waarschijnlijk bonte gezelschap van zijn gasten te bekijken. Hij ziet wat bekenden uit de straat, een groepje Marokkaanse jongeren uit de stad, wat toeristen van de kaasmarkt, ouderen die hun rollator in de hoek hebben neergezet, vaders en moeders die op het schoolplein stonden en zijn meegegaan. Zo ziet hij allemaal mensen van de straat, goede en slechte, maar dan opeens ziet hij iemand die zich niet in bruiloftskleren gestoken heeft. De koning stapt er onmiddellijk op af en zegt: Vriend, hoe ben jij hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aangetrokken hebt? De man weet niets te zeggen en de koning laat hem buiten werpen. Het verhaal eindigt dan met die bekende en helaas ook beruchte zin: Velen zijn geroepen maar slechts weinigen zijn uitverkoren.
 
Het verhaal kent een flink staartje zou je wel kunnen zeggen. De ruimhartigheid van deze koning lijkt in het laatste vers zich weer zeer te beperken en klinkt als een duveltje uit een doosje in de taal van weleer. Velen zijn geroepen maar slechts weinigen zijn uitverkoren. Een zin die als een gesel in onze traditie angst inboezemde, want het zijn er maar weinig die uitverkoren zijn en je weet nooit of jij er wel bijhoort… of je goed genoeg wordt bevonden in de ogen van God… We hebben de zin losgeweekt uit het verhaal en het tot dogmatiek gemaakt. En dat kan nooit de bedoeling zijn. Nee, je moet het horen binnen dit verhaal en dan klopt het beter, want velen waren er geroepen, maar weinigen uitverkoren. En dat uitverkoren zijn, had niet alleen maar iets met die Heer te maken, maar vooral ook met jou zelf, jouw eigen keuze. Je wordt geroepen, uitgenodigd, maar doe je ook mee?

God is ruimhartig, ja, komt allen, wie u ook bent en waar u ook vandaan komt, maar als je komt, is dat ook niet vrijblijvend. Een dresscode veronderstelt dat je meedoet, dat je je committeert. De koning vraagt of je mee wilt vieren, maar dat vraagt ook iets van jou. Die kinderen bij Nico ter Linden hadden het dus goed begrepen. Meevieren is het bruiloftskleed aantrekken. Is je committeren aan deze koning. Is dus ook doenals deze koning. Is dus aan tafel aan gaan met mensen uit alle windstreken, goede en slechte, hoeren, tollenaars, zondaars, mensen met een ander geloof. Doen als deze koning is ruim van hart proberen te zijn. Gastvrij-zijn. Er zijn voor de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de vreemdelingen, de zieken en gevangenen. Niemand uit te sluiten, niet te oordelen. Als we zo ruimhartig met iedereen feest zouden kunnen vieren dan is dat koninkrijk inderdaad toch onder ons gekomen? Velen worden daartoe geroepen, maar weinigen is ook het gegeven om vanuit die ruimhartigheid van God, dag in dag uit, de wereld in te kijken. Laten we daarom vooral ook bidden, blijven bidden: Onze Vader die in hemel zijt, moge uw koninkrijk kome, ook in mijn hart?

Amen