Preek van de week

Preek van ds. M.Th. van der Sijs over Ezechiël 1: 1–14
De Veste Gouda, 5 februari 2012

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ezechiël stamt uit een priestergeslacht en hij was voorbestemd om ook zelf priester in de tempel van Jeruzalem te worden. Maar wanneer Juda’s koning Jojakim in opstand komt tegen de heerschappij van Babel, is dat het einde van Jeruzalem en later ook de verwoesting van de tempel. De koning en de regenten, de priesters en de militairen worden gedeporteerd, onder hen Ezechiël. Hij is dus brodeloos, want wat is een priester zonder tempel? En wat moet een mens in den vreemde van Gòd verwachten? God lijkt àfwezig tussen die Babylonische goden. Ongetwijfeld zullen de gedeporteerden zich afgevraagd hebben waarom God dit alles heeft toegelaten, waarom Hij de verwoesting van de tempel niet heeft voorkomen. Maar zo werkt God niet, toen niet, nu niet. God riep een profeet. De vraag is of wij in onze tijd naar profetische signalen luisteren. Of sluiten we ons af door te zeggen dat profeten iets van toen was en nu niet meer? We weten uit andere hoofdstukken dat Ezechiël jaren lang gezwegen heeft, tot het moment waarop het verhaal van vandaag begint. Waarom? Wat heeft hem daar, in ballingschap bewogen tot die woordenstroom die tot ons komt in dit grote, en vaak ongemakkelijke, profetenboek? Wat zat er achter Ezechiëls’ verandering van priester in profeet? Het antwoord schuilt in het merkwaardige visioen in het eerste hoofdstuk. Daar wordt het fundament gelegd tegen het fatalisme dat God in Babel onvindbaar zou zijn en dat er nooit meer een weg terug is uit de ballingschap. Hier wordt het begin gemaakt: God is ook hier en Hij zàl ons thuisbrengen. Naar de beginregel van een lied van Oosterhuis: ‘Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn.’ Andere ballingen hadden zich gesetteld en wilden mogelijk helemaal niet meer naar huis, omdat je, zoals de Duits/Nederlandse schrijver en psycholoog Hans Keilson schreef ook in den vreemde, ‘thuis’ kunt zijn.

Ezechiël weet nog precies wannéér hij het visioen kreeg: op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar. Ezechiël weet nog precies wáár het gebeurde, bij de rivier de Kebar. Ook van latere tijd weten we dat Joden, waar ze geen synagoge hadden, bij stromend wáter bijeen kwamen. In Handelingen bijvoorbeeld lezen we hoe Paulus in Filipi de stadspoort uitgaat in de richting van de rivier omdat hij vermoedde dat daar een gebedsplaats was. (Handelingen 16: 13) Het is waarschijnlijk op sabbat geweest en er waren andere ballingen bij. Of die ook gezien hebben wat Ezechiël zag, vertelt hij niet. Nauwkeurig is tijd en plaats dus bepaald. Alsof de verteller wil zeggen: ik kom niet met een sprookje. Wat hier in dit boek wordt verteld, dat heeft betrekking op jou: hoorder. Op wat jij hoorder in het heden, hier en nu, ziet. Het is niet opgetekend om bij weg te dromen uit de realiteit van alledag, maar om in beeld te brengen waar wij met z’n allen zitten. Ezechiël de priester die op het punt staat profeet te worden zit bij de rivier, vlak bij Babel. Hij kijkt er op uit. Grote stad met tempels en goden. Hij zit daar in omgeving waar Abram, waar Abram met zijn vader een winkeltje runde, zoals een mooie uitleg vertelt. Ezechiël zit daar waar Abram van zijn geloof in de goden viel. Ezechiël zit daar waar Abram de stem hoorde die hem deed uittrekken uit alles wat hem eigen was. Op die plek gaat eeuwen later de hemel voor Ezechiël open. Ezechiël ziet van alles: “Dit is wat ik zag.” “Zo zagen ze er uit.” “Opnieuw keek ik.” Maar uiteindelijk gaat het zoals bijna altijd in de Schrift om het ‘horen.’ Aan het einde van het eerste hoofdstuk, maar dat valt buiten de lezing van vandaag, ‘hoort’ Ezechiël de stem van de Heer: “Menskind sta op, dan zal ik met je spreken.” Terug naar het begin.

Daar aan het water ziet Ezechiël een stormwind op zich af komen, een grote gloeiende wolkenmassa en een vuur van bliksemflitsen. In die wolken ziet hij vier wezens, in de gedaante van een mens. Elk van die wezens heeft, vier gezichten en vier vleugels. De vier gezichten zijn die van een mens en een leeuw aan de rechterkant, en dat van een rund aan de linkerkant. De tekst vermeldt dat zij ook het ‘aangezicht’ van een arend hebben. Het idee van een wezen met vier gezichten is waarschijnlijk terug te voeren op heidense afgodsbeelden van de god Baäl. Ezechiël zou een dergelijk beeld opgepikt kunnen hebben daar in in Babylonië. Het is niet ondenkbaar dat hij onder de indruk is geraakt van een heidens beeld dat hij dit in zijn eigen godsdienst probeert te integreren. De vier symbolen laten zich hoe dan ook op veel verschillende manieren interpreteren. Zo kunnen zij staan voor tekens van de dierenriem of voor de vier elementen (mens als water, leeuw als vuur, stier als aarde, adelaar als lucht). Deze ‘kosmische’ betekenissen verwijzen dan naar het geheel van Gods schepping. Daarnaast zijn er de christelijke verwijzingen, bijvoorbeeld die met de verlossing van Jezus, die geboren werd (mens), zich offerde (stier), verrees (leeuw) en ten hemel opsteeg (adelaar). En sinds de vierde eeuw worden de vier evangelisten in de beeldende kunst met symbolen of attributen afgebeeld: Matteüs met een mens, Marcus met een leeuw, Lucas met een rund en Johannes met een adelaar. Deze symbolische figuren - die samen de schepping op aarde vertegenwoordigen - zijn te herleiden tot dit roepingsvisioen van Ezechiël, en ook tot het visioen uit Openbaring: “Midden voor de troon en er omheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren. Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar.”

De wezens die Ezechiël ziet waren voorzien van wielen met ogen. Het geheel is uiterst beweeglijk en het vlamt en knettert. Bizarre avatarachtige verschijningen. Maar het is géén verschijning van God. God verschijnt in de lezing die volgende week aan de orde is. Die wezens staan op aarde. Mogelijk is het een beeld van hoe hij de situatie beleefde. Zoals Ezechiël mogelijk zelf zijn tijd beleefde: grillig, onvoorspelbaar, overrompelend. Zoals ik eerder zei het was niet God die zich openbaarde in die vier wezens, maar het was wel een aanloop er naar toe. Hoe dan ook: een curieus visioen. Maar wel bepalend voor het leven van Ezechiël. Het maakte hem van priester tot profeet. Het deed hem daar in ballingschap opstaan. De kabbalistiek, dat is de geheime leer van de joodse mystiek (Madonna is er een aanhanger van) ontleent zijn beelden o.a. aan Ezechiël 1. Want deze figuren met hun wielen zijn in die traditie tot troonwagen (merkawa) genoemd. En een ‘merkawa’ werd het voertuig om bij de Heilige op zijn verheven troon te komen en Hem te aanschouwen. En dat is de vervulling van het leven volgens die mystieke stroming. Ik vind dat merkwaardig, maar ik ben een buitenstaander, want de sterk individualistische mystieke traditie, die zich afvraagt: ‘hoe maak ik contact met het heilige met de Heilige,’ staat op gespannen voet met het perspectief van Ezechiël. Want dit roepingsvisoen krijgt Ezechiël met het oog op de vernieuwing van héél Israël en niet zozeer om de verlossing van een individu. Het gaat er niet om hoe ik met behulp van die ‘merkawa’ God kan benaderen. Het gaat om bevrijding van het vòlk uit de ballingschap, het gaat om het verwerpen van de afgoderij en het eren van de God van Abraham, Izak en Jacob. Het gaat, en dat is het meest grensdoorbrekende visioen van Ezechiël, om de opstanding der doden. En dat is, met het opstandingsverhaal van Jezus, het meest dràstische toekomstvisioen dat een mensenkind ooit heeft gezien.

Want als alles verloren schijnt te zijn profeteert Ezechiël over herstel, over omkeer. Hoe ellendig die ballingschap ook is, die biedt. zoals elke crisis, die ook kansen. Het is een loutering. Er zàl een nieuw tempel zijn. Er zàl een nieuwe stad zijn. En die stad heet: ‘De Heer is daar!’ Zo eindigt het boek Ezechiël. Pas 33 jaar later zullen de ballingen, een kleine rest in wie de hoop niet is vervlogen, uit de ballingschap worden teruggevoerd. Jaren lang hebben ze geleefd met Ezechiëls profetieën en hebben het uitgehouden met die woorden. Ze leefden met de belofte. Dat was genoeg. Anderen leefden en stierven met de belofte.

Het laatste levensteken van de joodse vrouw Etty Hillesum, was een kaart die zij uit de trein naar Auschwitz gooide. Zij schrijft op die kaart aan een vriendin: “Christien, ik sla de Bijbel open op een willekeurige plaats en vind dit: de Here is mijn hoog vertrek. Ik zit midden in een volle goederenwagen op m’n rugzak.” Hillesum citeert Psalm 94(: 22). Ze zet die twee werkelijkheden naast elkaar: de benauwdheid van de overvolle goederenwagon tegenover de ruimte die God voor haar is. Die laatste werkelijkheid weegt voor haar zwaarder dan de eerste. Ezechiël en Etty Hillesum, ze hadden totaal verschillende belevingen van God, maar hun belevingen gaven hen ruimte en hoop.

Veel ballingen hebben de ballingschap niet overleefd. Etty Hillesum heeft Auschwitz niet overleefd. Meer dan driehonderd Joodse Gouwenaars werden in de Tweede Wereldoorlog om het leven gebracht. Hun namen zijn te lezen op panelen in het Metaheerhuisje achter het gebouw de Haven, aan de Oosthaven dat tot 1943 het Joods bejaardenhuis was. Nu is het plan om hun namen zichtbaar te maken bij hun huizen waar zij tot hun deportatie woonden, op koperen plaatjes op ‘Stolpersteine.’ Zij hebben de oorlog niet overleefd, maar wij willen hun namen niet vergeten. Of Ezechiël de ballingschap heeft overleefd? We weten het niet. Zijn woorden blijven: “Dit zegt God, de Heer: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. Jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben.” (Ezechiël 37: 12)

Gebruikt:
www.bijbelencultuur.nl
Werkschrift, Ezekiël, priester-profeet
Ad van Nieuwpoort, in Babel
H. Berkhof, Bijbeloverdenkingen.